terug naar de reisverhalen <

terug naar de startpagina <

voorkant reisverslag noorwegenroutekaart rondreis noorwegen noordkaap motor

De kriebels beginnen nu echt te komen. Elke dag een beetje inpakken, alles netjes gegroepeerd: eetspullen, slaapspullen, kleertjes etc. Langzamerhand wordt de kamer boven een “exploded view” van mijn motortassen.

Ik ben dan ook al jaren bezig met deze reis. In eerste instantie met Wim samen. Helaas bleef dit alleen maar bij mijmeren en een enkele routekaart van de ANWB. Nu wordt het eindelijk werkelijkheid. Samen met Pieter ga ik op pad; naar de Noordkaap. En niet zo maar even rechttoe rechtaan, maar helemaal door Finland en dan via de prachtige fjordenkust van Noorwegen weer terug. Vier weken lang genieten op de motor. Ik hoop dat de motoren net zo zullen genieten als wij.

 

gebruik onderstaande links om direct naar een bepaalde dag/locatie te gaan (werkt nog niet geheel / werkzaamheden) DAG KM PAG.

start/vertrek

Thuis tot Falsterbo

za 9-06-07 701 km 1
Falsterbo tot Stockholm zo 10-06-07 641 km 3
Stockholm tot Turku (Finland) ma 11-06-07 318 km 5
Turku tot Kuopio di 12-06-07 465 km 6
Kuopio tot Kuusamo wo 13-06-07 521 km 8
Kuusamo tot Saariseläntie do 14-06-07 405 km 11
Saariseläntie tot Lakselv (Noorwegen) vr 15-06-07 276 km 14
Lakselv tot Skarsvåg za 16-06-07 161 km 17
Rondom de Noordkaap zo 17-06-07 60 km 23
Skarsvåg tot Tretten ma 18-06-07 393 km 25
Tretten tot Tromsø di 19-06-07 171 km 28
Tromsø tot Torsken wo 20-06-07 190 km 30
Torsken tot Sortland (Vesteralen) do 21-06-07 121 km 34
Sortland tot Å (Lofoten) vr 22-06-07 251 km 36
Rondom Å za 23-06-07 77 km 39
Å tot Saltstraumen zo 24-06-07 130 km 41
Rondom Bodø ma 25-06-07 69 km 44
Saltstraumen tot Nesna di 26-06-07 285 km 45
Nesna tot Namsos wo 27-06-07 323 km 48
Namsos tot Røv do 28-06-07 306 km 49
Røv tot camping Solvang vr 29-06-07 257 km 51
Camping Solvang tot Lom za 30-06-07 124 km 54
Lom tot Sogndal zo 1-07-07 211 km 59
Sogndal tot Hjelmeland ma 2-07-07 371 km 62
Hjelmeland tot Sandnes di 3-07-07 112 km 64
Sandnes tot Århus (Denemarken) wo 4-07-07 402 km 66
Århus tot thuis do 5-07-07 632 km 68

 

 


Vr 08-06-2007

De hele dag aan het inpakken en organiseren. Nina helpt super, met haar inpaktalent kan ik zo maar een hele bult meer meenemen op mijn fietsje.


bijker Henk


Alle tassen kunnen erop. Ik heb van een collega, een paar zijtassen en een grote waterdichte roltas mogen lenen. Zo hou je de zware bagage mooi laag, ideaal voor de wegligging. Ik probeer even een proefritje door de straat te maken, dat lukt. Alleen waneer ik een flinke ruk aan het stuur geef, begint de motor vervaarlijk heen en weer te waggelen. Géén geruk meer aan het stuur dus! Dit is het nadeel van zo’n oud frame, “Gummi-Kuh” zoals ze in Duitsland gekscherend zeggen.

s Middags naar Jos, nog even het kereltje op schoot nemen en lekker plat knuffelen. Ik zal hem missen.

Ik heb mijn BMW’tje technisch zo goed mogelijk in orde. Nieuwe voor- en achterband van Metzeler, met nieuwe binnenbandjes natuurlijk. Nieuwe rem- en koppelingskabels en heerlijke verse olie, mmmmmm.

Het valt me op dat mijn GPS niet helemaal goed werkt; de detailkaarten zijn verdwenen. Alleen de hoofdroutes kent het ding nog, het zal toch niet zo zijn dat mijn “Garmisch Partenkirchen” mij op het laatste, en cruciale moment in de steek laat. Thuis maar even kijken.

De motor stuurt heerlijk. Door het extra gewicht op het achterwiel heb ik het idee dat ik veel strakker en meer gecontroleerd de bochten kan nemen. De tanktas dempt het vrolijke getik van de klepjes. Omdat ik nog steeds de originele buddyseat op mijn fiets heb, is deze na al die jaren verre van comfortabel geworden. De schuimrubber vulling is behoorlijk ver ingedeukt, het lijkt wel een plank. Bij de motorzaak heb ik een, van luchtkamers voorzien, “dekje” gekocht. Ideaal, weg met de tintelende bippen! Het voordeel is ook dat de trilling van de boxer een stuk minder merkbaar is, ik rij op wolkjes….

Thuis probeer ik de detailkaarten weer met de pc op mijn Garmin 2820 te zetten. Jammer maar helaas; wat ik ook probeer, niets! De geprogrammeerde routes en “waypoints” zitten er gelukkig nog wel in.

En zo wordt het wederom veel te laat, half een. Pieter en ik hebben afgesproken tegen een uur of zeven morgenvroeg in Zuidlaren bij Jimmy te zijn. Om drie uur lig ik nog wakker. Het komt nu wel heel erg dichtbij!

Joepie.


Za 09-06-2007

Om kwart voor zes gaat de wekker. Ik heb toch nog heerlijk geslapen, wel veel te kort. Naast me ligt Nina nog steeds te ronken. Vier weken zal ik haar niet zien, en dat is voor het eerst sinds dik twintig jaar, ‘ben benieuwd.

Ik maak m’n broodjes klaar. De motor staat, bepakt en bezakt, in de garage geduldig te wachten op wat komen gaat.

Om half zeven is de hele Hoppekampweg er al om ons uit te zwaaien, tof. Nina & Niels staan met slaperige oogjes toe te kijken. Het is best moeilijk, ik probeer zo veel mogelijk van hen in mij op te nemen, daar zal ik het mee moeten doen deze maand. Een diep gebrom kondigt Pieter aan.


zelfs Henriette zwaait ons uit


Even later komen Hillary en Jeroen.

Dag lieverds, tot over vier weken, we zullen voorzichtig zijn en geen fratsen uithalen”.


Rob en Pieter


WE GAAN. Luid toeterend en wild zwaaiend rijden we de Hoofdweg uit; we zijn op pad. De eerste meters zijn gereden, nog zo’n 8 miljoen te gaan.


we gaan


De eerste overtreding is al een feit wanneer we nét Peize uit zijn. Door werkzaamheden aan de Bunnerveenscheweg staan er stoplichten langs de kant, natuurlijk op rood. Niemand te zien dus doooooooooor.

In Zuidlaren staan Jimmy en Gerda al buiten op ons te wachten. Jimmy op een Buell 1200 en Gerda op een Harley Sportster 800. Jimmy lacht en kijkt veelbetekenend op zijn horloge. Oei, we zijn tien minuten te laat. Op naar Robert in Gieterveensekanaalsedijksemond of zoiets. Daar staat nog niets voor de deur, geen Robert en ook geen motor….. Het blijkt dat hij gistermiddag onderuit is gegaan met zijn moderne BMW R1100. Hij reed gelukkig stapvoets, maar het kostte hem toch een nieuw kleppendeksel en een nieuwe accu….??? De motor wil niet starten dus we moeten hem aandrukken, geen lolletje met die compressie. Dat wordt wat…

Er volgt een saaie rit naar Hamburg. Het weer is prima, haast een beetje te warm om in vol ornaat te rijden. Bij het laatste tankstation voor Hamburg nemen Pieter en ik afscheid van Jimmy, Gerda en Robert. Zij rijden dwars door Denemarken naar het noorden om in Hirtshals de veerboot naar Kristiansand, Noorwegen, te nemen. Hun boot vertrekt om één uur ’s nachts. Tijd genoeg.

Wij rijden onder Hamburg langs naar Putgarden voor de veerboot naar Rødby. We genieten van het samen rijden; dit wordt het dus voor de volgende vier weken, vet.

We zijn prima op tijd voor de boot. We gaan gelijk door naar de taxfree winkel en kopen de eerste voorraad drank: 1 liter Tullamore Dew Irish Whiskey en 1 liter gin, 60%, voor in de tonic. Hier moeten we toch een aardig tijdje mee kunnen doen, toch?

We hebben nu al twee landen gehad: Nederland en Duitsland. Denemarken doen we vandaag ook nog even. De planning is om vandaag tot onder in Zweden te komen.

De rit door ons eerste Scandinavische land gaat voorspoedig. We rijden dik 100 km/u en de fietsjes brommen beide van plezier. Na Kopenhagen rijden we over de prachtige brug over de Öresund naar Malmö. Hier moeten we ergens een slaapplaats zien te versieren. Het weer is heerlijk zomers; zonnig en warm.

Op het zuidelijke pieletje onder Malmö vinden we bij Falsterbo een prima camping. Onze, vooraf bestelde, campingcard wordt gevalideerd, (€22,50). We krijgen direct zo’n €5,- korting, prima. Als dat zo doorgaat hebben we aan het eind van de rit zo’n €75,- voordeel.

Eten………, eerst Zweedse malmös halen, en dan boodschapjes doen voor de avond (salamiworst en pindae), en natuurlijk voor het ontbijt.

Bij het haventje van Falsterbo vinden we een leuk visrestaurantje, met een terrasje vol heel leuke serveersters. We eten een soort “mixed grill” van vis, maar dan niet gegrilleerd. Haring op twee manieren, zalm, garnalen, een superheerlijke vispaté, mosselen etc. Ronduit vreselijk lekker. Vanuit het haventje hebben we een prachtig uitzicht over de Öresund met zijn majestueuze brug naar Kopenhagen.


de Öresund


Terug naar de camping om de whiskey te proberen. Ik hou persoonlijk niet zo bijzonder veel van sterke drank, maar dat zal gaandeweg wel veranderen, denk ik. Na twee glazen is het al veranderd. Lekker spul zeg, die whiskey. We drinken een flink gat in onze voorraad. We zitten aan een houten tuintafel bij de tent wat te klooien met onze ‘special tools’; zoals een widiwidi voor het fototoestel, superhandige ministatiefjes, led-lampjes en meer van dit soort gadgets. Gewoon lekker kletsen, drinken, kijken en klooien. Dit kan wel eens de tendens worden voor de rest van de vakantie. Om half twee kruip ik mijn tentje in. Best wel moe. De eerste nacht zonder Nina en de jongens…………..

Dag hoor.


Zo 10-07-2007

Al erg vroeg staat de zon op mijn tent te branden. Binnen is het haast niet meer uit te houden, eruit.

We ontbijten met eigen espresso, broodjes, jus d’orange en melk, volwaardig en lekker bovendien.


ontbijt in Falsterbo


Tent inpakken en opstappen. Vandaag rijden we naar Stockholm, een rit van zo’n 750 km. Ik had de hele tijd in mijn hoofd dat de afstand vandaag slechts zo’n 350 km zou zijn. Even slikken, het blijkt dus 400 km meer te zijn. De planning is om niet de snelweg te nemen maar binnendoor via Växjö te rijden. We verdwalen een beetje in Malmö omdat Annie, mijn GPS, de hele tijd zit te zeuren dat we niet op de aangegeven route rijden en terug moeten, ja…. dûh.

We rijden een heel stuk door het prachtige Zweedse land. Prachtig maar wél langzaam. Dit wordt een erg lange rit zo. We worden behoorlijk opgehouden in de vele kleine dorpjes waar we doorheen komen.

Bij Hässleholm besluiten we toch maar via de snelweg naar Stockholm te rijden. Dat gaat vast een heel stuk sneller. We nemen de Södra Vägen (de 117) naar de snelweg (E4), richting Stockholm.


Bjärnum

Het weer is nog steeds prima totdat we bij Nyköping gaan tanken met lekkere hapjes. De lucht begint flink te betrekken en vanuit het noorden komt een zwarte kolkende wolkenmassa opzetten, een heel schip met zure appels op komst. Ik pak de tanktas en de tentbuidel extra in en vrolijk stappen we weer, volledig voorbereid, op de motor. We duiken de regen in.

Plots realiseer ik me dat mijn widiwidi-telefoon nog in de borstzak van mijn motorjas zit, en deze is helaas niet waterdicht, denk ik! We stoppen langs de snelweg onder een viaduct. Ja hoor, widiwidi kleddernat. Het beeldscherm geeft niets meer aan. Snel haal ik, op hoop van zegen, de accu los. Misschien blijft de schade beperkt.


Nyköping, voor de hectiek


Zo’n 50 meter voor ons stopt een Harley, mét volgauto. Ook hij is kennelijk door het noodweer overvallen. De regen komt met bakken uit de lucht, het asfalt gaat schuil onder een laagje schuim, het lijkt wel shampoo, maar dan heel veel.

Een paar auto’s rijden ook de vluchtstrook op, achter de volgauto aan. Maar dan sturen ze ineens weer de weg op. Er ontstaat een ware chaos op de snelweg, remlichten, slippende auto’s, alarmlichten, auto’s overdwars. Het eerste waar ik, praktisch als ik ben, aan denk is: “hoe krijg ik in Godsnaam mijn motor over die vervloekte vangrail heen. Straks ligt al het verkeer van Zweden hier op een hoopje, met mijn fiets eronder”. Wij beginnen wild te zwaaien naar de achterop aanrazende auto’s dat ze vaart moeten minderen, dat helpt gelukkig. Op een gegeven moment staat de hele zooi stil, midden op de snelweg. Het viaduct, waar wij onder staan, ligt net bovenop een heuvel in een flauwe bocht. Het achteropkomende verkeer kan de verkeerschaos vóór ons pas heel laat zien. Gelukkig lost de troep voor ons snel op en rijdt alles weer, nét geen aanrijding. Dit had makkelijk kunnen resulteren in een flinke kettingbotsing, met alle gevolgen van dien. Ik ben dolblij dat ik vergeten was mijn widiwidi uit mijn borstzak te pakken. Anders waren we daar nooit gestopt en hadden we nooit het verkeer kunnen waarschuwen.


Nyköping, na de hectiek


Wanneer we weer willen wegrijden, komen twee vrachtautocombinaties met een noodgang voorbij razen. Deze hadden nevernooit op tijd kunnen stoppen wanneer ze een minuutje eerder langs waren gedenderd, oef.

Het wordt drukker en drukker, een teken dat we al bijna bij Stockholm zijn. Gelukkig kunnen we, met de fietsjes tussen de auto’s door laverend, redelijk opschieten in de file. De regen hebben we achter ons gelaten. Annie probeert ons de weg naar de camping te wijzen. Hier kom ik helaas pas achter als we al bijna bij de camping zijn. “Nee……., we willen eerst naar de boot, stom ding!”

Via een aantal lange tunnels bereiken we de stad. Hoog op een gebouw zien we het logo van VIKING LINE, daar moeten we heen. De havens bevinden zich zo’n beetje midden in de stad. Helaas geen boot. We kunnen ook nergens reserveren want alle kantoren zijn gesloten. We moeten dus een slaapplaats voor vannacht regelen die niet te ver van de haven is. Een Duits echtpaar vertelt ons dat de boot morgenvroeg al om kwart voor acht zal vertrekken. Dat wordt vroeg op, en dat tijdens de vakantie, bah.


ballonnen boven Stockholm


Een klein stukje de helling op vinden we een hotel, voor €200,- per nacht. Iets te duur. De man achter de balie stuurt ons naar een soort jeugdherberg in de haven, een boot. Gelukkig hebben ze nog net een hut vrij. Degene die de hut besproken had is niet komen opdagen. Prima.

Nadat we ons kleine hokje een beetje hebben ingericht gaan we weer naar buiten. We hebben nog niet gegeten en het is al laat. Mac Donalds roept ons vanuit de stad, ok. Lekker vetbekken, en het vet valt diep. We voelen ons net een stelletje oude zwervers tussen al het jonge grut. Weer buiten schieten we iemand aan om te vragen naar een Ierse pub, ik heb vreselijk veel zin in een lekkere Guinness. Voorwaar, tien minuutjes lopen door de mooie stad en we staan voor een heuse pub.

Natuurlijk mogen we binnen niet roken, maar dat is geen probleem. De gigantische schuiframen aan de voorzijde zijn helemaal omhoog geschoven, dus we kunnen in de vensterbank een sjekkie roken. FOUT. Roken moet buiten! Nou, prima, dan gaan we buiten op de stoep staan, en zetten we het glas in de vensterbank. FOUT. Drinken moet binnen! Waarschijnlijk moet meer dan 50% van je lichaam binnen zijn om te drinken, en meer dan 50% buiten om te roken, en dat gaat niet tegelijk! Wat een puriteins geneuzel. Toch blijven we tot sluitingstijd zitten. Het diep bruine goud vloeit tierig.


haven van Stockholm


Tegen een uur of een zijn we weer bij de slaapboot. Ons hutje is klein en benauwd. Er staat een stapelbed en er is een wasbak. Maar na weer zo’n enerverende dag is het goed slapen geblazen.

Truste.


s nachts bij onze slaapboot


Ma 11 juni 2007

Ik heb de wekker op 6 uur gezet, en dat is best wel erg vroeg. Pieter gaat toilet maken. Ik ga eerst maar even de boot bespreken. Vandaag varen we naar Turku, in Finland.

Er staat al een lange rij auto’s voor de boot te wachten. Bij een kaartknipjuffrouw in een kaartknipjuffrouwhokje betaal ik SEK552,- voor twee motoren met ons erop, dat is nog geen €30,- per persoon, en dat voor een bootreis van zo’n 12 uur.

Ik rij weer terug naar de slaapboot om de motor op te pakken. Aangezien we de fietsen nergens veilig konden stallen, hebben we de hele bagage er maar afgehaald. Gelukkig ligt de veerboot nog geen 500 meter van de slaapboot, anders zouden we deze boot zeer zeker gemist hebben.

We rijden als laatste de boot op, oef, nét gehaald. Er is meer dan genoeg ruimte om de motoren te stallen. Kennelijk krijgen we volstrekt geen hulp van de Finse bemanning, en moeten we zelf maar een plekje zoeken. Banden of touwen om de fietsen vast te sjorren schitteren door afwezigheid. Zo goed en zo kwaad als het gaat plakken we de motoren in een hoekje. Ergens achteraf vinden we gelukkig een lang touw waarmee we alles goed kunnen vastzetten. Pieter heeft een of andere spanband gevonden, vol met smerig vet. Sneu laat hij z’n vieze vette handen zien,

Eerst maar even ontbijten. We moeten €13,- p.p. betalen voor een zeer uitgebreid ontbijtbuffet. Prima prijsje. We worden bij de entree van het restaurant vorstelijk onthaald met een glas champagne. De oberresse gaat ons voor naar een tafel aan de raamzijde.


Champagneontbijt op de M/S Isabella


Wat een luxe; een heerlijk ontbijt met alles wat je maar kunt wensen, het kan niet op. Vers gerookte zalm, kaviaar, haring, vlees, kaas, zoete zooi voor op brood, verschillende taarten en allerlei heerlijke broodjes.

Al genietend glijdt het feeërieke landschap aan ons voorbij. Vanaf Stockholm vaar je de eerste paar uur tussen allerlei schitterende eilandjes door, vele zijn bewoond. Een cruise is er niets bij.

Na het ontbijt gaan we naar het zonnedek, zo’n veertig meter boven de waterspiegel. Het weer is schitterend. Er staan tuinstoelen klaar waar we heerlijk kunnen uitbuiken na het superontbijt.

Na de eerste nacht in Malmö is het wel duidelijk geworden dat we toch wat meer drank moeten inslaan, het gaat hard, veel te hard. Op naar de Taxfree. Een litertje Tullamore Dew, twee rugzakjes en een paraplu rijker, lopen we weer naar het zonnedek.

We varen nu op volle zee en dat is goed te merken aan de temperatuur. Ondanks dat de zon enthousiast staat te blaken, is het toch nog behoorlijk fris. De rest van de dag bestaat eigenlijk uit rondhangen, slapen en lezen met zo nu en dan een lekker hapje tussendoor.


op het zonnedek


Het is schitterend om alle mensen te bekijken en bekritiseren, maar na twaalf uur op dezelfde boot heb je de meeste al wel een keer gezien. Halverwege de tocht komen we aan in Mariehamn, een havenstadje op Åland, een groot eiland in ’s werelds grootste archipel. Hier legt de M/S Isabella een korte tijd aan om te lossen en laden. Na een klein uurtje varen we alweer verder. Slingerend tussen alle eilandjes vaart de boot naar Turku, waar we tegen een uur of zeven aankomen. Eindelijk weer rijden, ha.


Finland


Eerst moeten we nog door de douane. Ik heb speciaal voor op de Noordkaap wat wiet meegenomen. Goed luchtdicht verstopt in de framebuis onder de tank. Ik heb zelfs alles en beetje met motorolie ingesmeerd voor de honden, je weet maar nooit. We moeten eerst over een groot geasfalteerd terrein rijden met aan de linkerzijde douaniers en soldaatjes met ruikhonden. Het lijkt wel of we Rusland binnenrijden. Aan de rechterzijde worden een paar vrachtauto’s minutieus doorzocht, oeps. Pieter rijdt voorop en stuurt tactisch over het midden naar de uitgang. Een grensvent staat wild te zwaaien. Over stoepranden en zwart/geel gestreepte drempels hobbelend, komen we bij de grenspost. We zetten ons aardigste gezicht op en mogen zonder problemen doorrijden, gehaald!

Annie wijst ons redelijk goed de weg naar Ruissalo. Heerlijk om de naaimachientjes weer onder de bipjes te voelen brommen; hulde jongens.

De camping Ruissalo ligt zo’n twintig kilometer ten noordwesten van Turku, op een schiereiland. We worden vriendelijk ontvangen, ondanks dat de Finnen behoorlijk nors (Noors zegt Pieter) kunnen kijken.

Waarom kunnen ze op campings nou niet voor een vlakke tentplaats zorgen, op de een of andere manier moeten de tentjes kennelijk altijd scheef staan. Vaak nog op hoge pollen gras. De scheve tentplaatsen worden echter ruimschoots gecompenseerd door de schitterende, spieksplinter nieuwe was- en kookvoorziening. Naast de modern gestileerde keuken is een gezellig overdekt terras met houten meubels. Dit wordt een prima plekje om de avond door te brengen. Met de Malmö-worst en gin-tonic wordt het wederom een heerlijk avondje genieten tot in de kleine uurtjes. Lekker samen kletsen en ouwehoeren, wat schrijven en lekker drinken, eten en roken: wat een kutvakantie, ha.


Camping Ruissalo


Voor het slapen gaan nog even lekker douchen. Het water is Scandinavië is vast heel erg goedkoop; er komt meer dan zat uit de douchekop, mijn hemel wat een stortbui, heerlijk.

Ik kruip eerst in mijn luxe natuurzijde lakenzak, en dan diep in de donzen slaapzak, wat een natuur! De twee kussentjes, die Nina uit haar oude slaapkussen geknipt heeft liggen super. Lekker tukken.

Slaap lekker.

s Nachts word ik wakker van de regen die op de tent klettert. Toch maar even eruit om alles te controleren. Ik heb de tent nogal slordig opgezet en nu komt de buitentent tegen de binnentent, en dat moet niet. Terug in m’n zak glijd ik weldra in een weldadige slaap, mmmmm.


Di 12 juni 2007

Tegen negenen ontluiken mijn oogjes. Het is gelukkig droog, de tent helaas niet, het is niet anders.

Snel pakken we de hele boel op de motor en rijden naar de receptie. In het winkeltje kopen we koffie en een paar broodjes voor het ontbijt.

De fietsjes staan al popelend mooi te zijn. We stappen op en sturen noordwaarts. De stad Turku stelt niet bijzonder veel voor, weinig tot geen architectuur en ietwat Oost-Gotisch aandoend. We volgen de E36 richting Tampere.

Het zuiden van Finland is niet bepaald een ontzettend prachtig stuk om doorheen te rijden. Het idee echter, dat we met onze oude BMW-tjes door Finland rijden, is daarentegen wel supervet.

Vandaag proberen we Kuopio te bereiken, zo’n 500 km ten noordoosten van Turku.

Na zo’n anderhalf uur rijden, is rijden niet zo heel erg leuk meer. Ondanks de “AirHawk” anti-decubitus kussentjes onder de poepkes, begint het van onder toch wat te tintelen en kneuzen. Even stoppen doet wonderen, gewoon even lekker staan, sjekkie roken en wat ouwehoeren.

Wat een lijpe taal dat Fins; heel erg veel lettertjes achter elkaar in de meest idiote combinaties. Wat zou KUTEET nu betekenen? Of je zou maar eens in Kut-umäki wonen!


raar taaltje


Mijn motor heeft aardig wat meer dorst dan die van Pieter. Wanneer we bij het Neste-tankstation, Kahvila in het Fins, stoppen om te tanken, blijkt dat mijn fiets zo’n beetje 1:14 loopt. Pieters motor loopt 1:17. Dit betekent dat we zo’n 280 km kunnen rijden, maar daar komt de reserve dan nog wel bij. Het tanken is volstrekt geen probleem, het betalen wel! Onze giropasjes met “Maestro” logo zijn niet bekend in Finland. Het “Maestro” logo staat wel op de deur maar dit geldt kennelijk alleen maar voor de Finse kaarten, nou……., da’s weer mooi kut. Dan maar met de creditcard betalen, dat gaat gelukkig wel goed.


tankstation, Kahvila


De omgeving is hier al een heel stuk mooier. Het begint licht bergachtig te worden, de wegen zijn haast uitgestorven en de dorpjes zijn haast op. Stel dat je hier met pech komt te staan. Dan moet je de Waägenwågtpraätapaålendienstuokyla bellen, in het Fins. “Tja, waar staan we……., ergens tussen Tampere en Jyväskyla, waarschijnlijk bij Längelmäki of zoiets”.

Maar, we hebben geen pech en sturen vrolijk verder. We rijden zo’n beetje om de beurt voorop, een beetje rechts zodat je je broertje nog goed kan zien in het spiegeltje. In Finland kun je op de doorgaande wegen 100 rijden, dat is dus 110 voor Nederlandse motorrijders uit Peize op een BMW R75/5, logisch! De Finnen rijden heel defensief; wanneer je iemand inhaalt, laten ze een hel groot gat vallen tussen hunnie en ons. Waarschijnlijk is er niet eens een Fins woord voor “kontjekleven”, of het zou “pikku perseet-palat” moeten zijn, zeer vrij vertaald.

Pieter en ik zijn het idiote asociale Hollandse verkeer gewend en maken stiekem een beetje misbruik van de Finse rijstijl. We halen heel wat Finnetjes in en schieten lekker op. De wegen zijn van een lichtgrijs, grof maar scherp, bandenvretend asfalt. Prima gelegd, zonder gaten en hobbels. Super rijden hier. Je kunt hier heerlijk doorkarren.

Na een paar uur rijden wil Pieter plots de natuur in, ok. We slaan af en rijden een smal bospad in, dwars door half weggekapte naaldbossen. Bij een meertje stappen we af. Wat een rust. Er liggen een paar roeibootjes, de verleiding is haast te groot. Toch laten we de bootjes mooi op de kant liggen. Wij zijn best netjes!


meertje voor Kuopio


Na een half uurtje rondhangen stappen we weer op. Kuopio is nog maar een klein stukje, zo’n 90 kilometer. Het weer slaat om. Het hele stuk was het half bewokkeld, maar nu begint het toch wat te dreigen. Wanneer we Kuopio binnen rijden, klettert de regen met bakken uit de lucht, gelukkig maar voor korte duur. We hebben het nog steeds niet koud gehad op de motor, de temperatuur schommelt de hele dag om en nabij de 16°C.

De camping Rauhalahti in Kuopio ligt redelijk dicht langs de snelweg, dus behoorlijk lawaaierig. Het is echter een mooie ruime, én vlakke camping. Met mooie boomgroepjes van berken en sparren.


Camping Rauhalahti


Helaas kunnen we niet op de camping eten dus we rijden naar de dichtstbijzijnde supermarkt om wat te halen. Ik moet ook nog steeds contant geld halen, maar de pinautomaat, “OTTO” in het Fins, kent verdorie mijn giropasje weer niet, kutding. Met de creditcard lukt het gelukkig wel. In de megagrote super kopen we heerlijke onbelegde broodjes. Samen met wat dikke plakken warme beenham van een overenthousiaste slager, een lekkere feta-salade, melk en wat blikken bier heb je toch een hele maaltijd. De fietsen hebben we tegen de pui van de supermarkt gezet. Annie heb ik maar even in de tanktas gedaan. De rest laten we verder zitten. Aangezien de regenhoes over de tanktas zit, zal er niet zo snel uit gejat worden, hopen we. De belangrijke papieren zitten veilig opgeborgen in de motorjas.

Het weer is weer opgeklaard, gemoedelijk rijden we in een lekker zonnetje terug naar de camping. Tentjes opzetten en eten, mmmmm. Gelukkig kunnen we niet afwassen, dus dat hoeft niet. Gewoon buiten laten staan en wachten tot het vanzelf schoon wordt. Of morgen toch maar even.

Van “Overtoom Den Dolder” heb ik een klein opvouwbaar frisbeetje gekregen. Geinig speeltje voor op de camping, en voorwaar. Al snel ontstaat er een wetenschappelijke discussie tussen Pieter en mij, hoe het toch kan dat deze frisbee een constante afwijking naar links heeft. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de draaiing van de frisbee in combinatie met de draaiing van onze aardkloot en de partiële zonindex, gehuld in een meervoudig bistabiele dermaprotector met een verstoorde kristalloïde tijdruimtecontinuüm.

Pieters geleende motorbroek heeft wat last van kruislekkage. Met behulp van wat lijkenfolie (zwarte folie om bij een aanrijding met de trein het eventuele stoffelijk overschot af te dekken) en Ducttape, fabriceert hij een prachtige waterdichte bermudashort. De handigerd! Deze “tussenbroek” gaat dus tussen de buiten- en binnenbroek. Je ziet er niets van, maar het kraakt wel.


Pieters luier


Het is nu al elf uur ’s avonds en het is nog steeds gewoon licht. De zon is al wel onder, maar je kunt nog steeds van alles doen; paardrijden, lezen, parasailing, bungeejumpen, diepzeeduiken etc. Geinig.

Even verderop staat een mooi houten bankje bij een Duitsch tentje. “Dat bankje staat daar niet”, zegt Pieter. Inderdaad……; ineens staat het handige zitmeubeltje ineens bij onze tentjes. “Nah, dat ist toch mooi, nicht-wahr, nah?”.


kek zitmeubel


Na een “paar” overheerlijke glaasjes whiskey duiken we onder zeil, het is nog steeds niet donker. Dat zal de eerstkomende weken wel vaker het geval zijn. Ik doe mijn slaapmaskertje op. Deze heb ik speciaal voor de zonnige nachten gekocht bij de ANWB in Roden. Ik is een beetje teut.

Umpffff

Tegen een uur of vier word ik wakker van de regen. Het is stikdonker, nee….., ik heb dat stomme maskertje nog steeds op. Af met dat ding. Vanaf nu zal ik ook de daglichtnachten volledig ervaren, dat hoort er nu eenmaal bij, gewoon een kwestie van wennen. Ik heb nu de tent wel zorgvuldig opgezet, mét de scheerlijnen, dus ik kan lekker blijven liggen.


Wo 13 juni 2007

Om een uur of negen begint mijn lichaam zich gereed te maken voor de nakende dag. We gaan luxe ontbijten, joepie. Pieter duikt vol overgave in het bakpannetje en tovert in no time een volwaardige, hoogculinaire munakas pekoni (omelet met spek) op tafel. Lekker met een vers kopje espresso uit het originele Italiaanse aluminium espressopotje.


de keukenprins


De keuken op deze camping heeft iets weg van een SS-kamp uit de oorlog; een lage barak, tussen andere barakken in, poepbruin met manshoge nummers erop. De ruimte is opgedeeld in vijftien kleine hokjes met kookplaten in een klein aanrechtblad en een klein oventje, elk met zijn eigen afscherming. Zo kun je tenminste niet zien wat Tomi en Mika naast je aan het koken zijn, wel ruiken.

Na dit hemelse hoogstandje pakken we de tenten in, en de motoren op. Het zonnetje staat weer hoog aan de hemel, het is warm. Puffend trekken we de motorkleding aan, als we straks rijden, wordt het vast weer heerlijk koel.

We beginnen het in- en oppakken al aardig onder de knie te krijgen, het gaat steeds sneller. Ik ben ook elke keer een klein beetje de bagage aan het reorganiseren, dat werkt prima. Het zware spul zo laag mogelijk, en de rest bovenop de buddy.

Wanneer we opstappen ontglipt mij een flatuleus vleugje. Merde, het is meer dan een vleugje. Waarschijnlijk heeft de beenham van gisteravond desastreuze gevolgen voor mijn stoelgang veroorzaakt. Hoezo “been-ham”! Broek vol…


oeps


Uhm….., Pieter…, rook jij maar even een sjekkie, dan ga ik nog even snel onder de douche”.

Hier het bewijs dat het inpakken steeds meer geordend gaat, ik weet fluks een nieuwe onderbroek en een verse handdoek te scoren uit een van de zijtassen, een wasdoekje en wat zeep en snel onder de douche. De onderbroek moet ik helaas als chemisch afval achterlaten.

Om half twaalf stappen we voor de tweede keer op, het gaat nu goed, alleen doet mijn buikje zo nu en dan heel erg “broelp”.

Het wordt steeds mooier, dit is het Finland wat ik voor ogen had; wijds en stil, haast verlaten. We rijden een paar uurtjes tot ik weer moet tanken. Mijn buikje maakt nog steeds rare geluidjes. Ik maak nog ‘even’ gebruik van het plaatselijke privaat. De wc maakt in deze twintig minuten flinke overuren, merde, en dan straks nog weer rijden ook. Ik voel me niet zo heel erg lekker.


Kahvila met rioolprobleem


Toch stappen we maar weer op. Vandaag rijden we naar Kuusamo, een tocht van zo’n 460 km. Wat een schitterend landschap; prachtige berkenbossen en naaldbossen wisselen elkaar af. Betoverende meren schieten aan ons voorbij. De weg slingert zich met lome bochten door het heuvelachtige gebied, geen dorpjes, bijna geen verkeer. Alleen onze motoren die maar door bulderen, een diepdonker concert voor twee stemmen.

Ineens schrikken we op van een paar rendieren langs de weg, lui en maar half geïnteresseerd kijken ze ons aan als wij rustig langsrijden. Een paar honderd meter verder zien we potjandorie ook nog een echte eland, groot(s), donkerbruin en statig. Het zal wel een vrouwtje zijn want het gewei ontbreekt. Wat een statig dier. Bedaard draait ze zich om en kuiert rustig de bossen in. Wow, we hebben een eland gezien, in het wild, spontaan en onverwacht. Dat is toch mooier dan ernaar op zoek te gaan met een gids in een Vølvøakaärine 4WD.

Annie, de schat, attendeert mij er op dat we, zo’n 15 km voor Kuusamo, heel dicht langs de Russische grens komen. Dit willen we echt wel. Op de driesprong stoppen we even voor een sjekkie. Binnen 20 seconden zitten we allebei onder de muggen, van die grote misselijke rottige steekmuggen. Gelukkig heb ik mijn DEET, met een slagkracht van 50%, schietklaar in de borstzak van mijn motorjas zitten. “Kom maar op, met je steeksnuit……., jaaaa, dat is vies hè?” De muggen zijn nu geen probleem meer, alleen iets irritant, that’s all.


misselijke muggen


We draaien de ‘866’ op naar de grens. Ik dacht dat deze route alleen maar een verlaten weg naar de grens was, maar ook hier zijn nog verscheidene kleine gehuchtjes, bestaande uit een paar huisjes en een paar boerderijtjes. De weg lijkt wel nieuw gelegd, schoon en glad, frisgrijs. Prachtige kombochten nodigen ons uit om het gas eens lekker open te trekken. Wel spannend, want ook hier kunnen zo maar ergens in de bocht een paar achterbakse rendieren op de loer liggen die ineens voor je motor springen, quasi onschuldig kijkend met hun trouwe rendierogen.

Doordat de weg gewoon de contouren van het landschap volgt, zitten er hele geinige bulten in. Van die bulten waar je eerst helemaal niet kunt zien waar de weg ná de top heen buigt. Als je er lekker hard overheen rijdt, voel je je maag tegen je huigje tippen, vet.

Na een paar kilometer moeten we ineens vol in de remmen voor een groepje rendieren, een stuk of twaalf. De remtrommels lichten haast rood op, zwaar protesterend doen de ze moeizaam hun werk en staan we nét op tijd stil, gloep, hier werden we dus voor gewaarschuwd. Voorzichtig rijden we door de groep heen. Een grote rendiervrouw rent een stukje met me op. Haar hoefjes klakken net zo leuk als de houten klepperslippers van Zwaantje, mijn buurvrouw thuis.

Na zo’n twintig kilometer staan we ineens voor de grens. Een open gekapte vlakte met een hek en een paar gebouwtjes. Ik rij naar een man van in de vijftig met een militair kostuumpje aan. “Hello, we like to cross the border into Russia, is that possible?”, vraag ik de man. “Passport” zegt hij no(o)rs. Nou prima, dat wil ik wel proberen. Vanuit het gebouwtje komt een jongere vent in een douanepakje. Helaas kunnen we niet de grens over, want we hebben geen visum, jammer. Op mijn vraag of het er aan de Russische kant anders uitziet als hier zegt hij lachend: “it’s almost the same as here, nature is the same, only the roads are very bad, comparing to the Finnish roads”. We raken verder aan de praat. Hij moet, zoals ik het begrijp, diensten draaien van wel twintig uur, zeven dagen lang. Daarna is hij weer een week vrij. Hij woont in Kuusamo en heeft daar een snelle KTM 650 staan. Een gezellige vent. De militair staat er een beetje verloren bij, sneu dat hij geen Engels spreekt. Hij heeft wel een hele vriendelijke blik in zijn ogen. We mogen foto’s maken, de jonge vent, Tomi, wijst ons een plekje waar we nog beter de Russische kant kunnen zien, zo’n 200 meter verderop. Het ziet er daar inderdaad hetzelfde uit als aan deze zijde. Nou mooi, dan hoeven we daar dus ook niet heen.


Russische grens

Tomi vindt het een hele prestatie om met zulke oude machines helemaal tot hier te rijden. Ik vraag hem of hij voor de foto even op mijn motor wil zitten. Wanneer we weer terug zijn in Nederland zal ik de foto’s naar zijn ie-meel adres sturen. Voorzichtig stapt hij op. “You can take the bike for a little spin, if you like”, zeg ik. “No thanks, it’s okay like this.


Tomi Hijskaanen op mijn fiets


We gaan weer verder, hartelijk uitgezwaaid door de twee Finnen rijden we weer terug naar de E63, de “5” volgens locale begrippen, op weg naar Kuusamo.

Na even zoeken vinden we Camping Kuusamon Tropiiki, een ietwat verwaarloosde camping aan een meertje. Bij de receptie in het Tropiiki Hotel vertellen ze ons dat we, binnen een bepaalde cirkel, overal mogen kamperen waar we willen. Prima. Aan het water vinden we twee vlakke plaatsen boven op de start/finishlijn van de plaatselijke Olympische langlaufwedstrijdpiste. Er ligt bijzonder weinig sneeuw dus dat zal wel geen problemen opleveren. We kunnen kiezen tussen Lãhtõ en Mãali, de een zal wel de start en de ander de finish zijn, of andersom natuurlijk. Wijs als we zijn, kiezen we voor de lager gelegen Lãhtõ. De tentjes staan in een poep en een scheet. Eerst maar even de levenssappen controleren van de motor. Ik heb van huis een litertje motorolie meegenomen, volgens de BMW dealer van Houten, de beste voor mijn fiets; Castrol vol-synthetisch! Er kan wel een half litertje bij. Dat vindt hij wel lekker, hè….?

We nestelen ons op de trap, tussen de miljoenen en miljoenen muggen.


miljoenen en miljoenen


Op het steigertje staat een vader met zijn twee zoons te vissen. Ik wil ook met mijn twee zoons hier staan, alleen heb ik een ongelooflijke poephekel aan vissen! En is mijn liefste familie zo’n 2000 km hier vandaan. Dat wordt ‘m dus niet.

Het lijkt net of er vanuit het meer een klein duikbootje door het wateroppervlak breekt. Wanneer het dichterbij komt ziet Pieter wat het is. “Man, dat is een bever”. Snel de verrekijker pakken, vet, inderdaad een echte bever. Even later zien we nog een kudde, luid trompetterende wilde zwanen. Wat een schitterende natuur hier, zo diep in Finland. We zijn omringd door duizenden dieren, met name muggen!

Het is weer een hele mooie avond. Op de steiger hangt een reddingsband aan een veel te kort touwtje. Pieter probeert met veel bravoure de band zo ver mogelijk het meer dan tweehonderd meter brede meer in te gooien. Hij haalt zo’n anderhalve meter, de bikkel, het touwtje is dan ook niet langer.


heel kort touwtje


We hangen nog wat rond, genieten, schrijven en ouwehoeren, drinken en roken; zo langzamerhand dé rituele avondbesteding. Het wordt, zoals gewoonlijk weer veel te laat. Dat mag want het is tenslotte vakantie, en dan moet je goed uitrusten, vooral mentaal. En je kunt alleen mentaal uitrusten als je volop geniet. En van dat genieten moet je genieten.

Do 14 juni 2007

Het is negen uur, prachtige tijd om op te staan. We breken snel op en gaan ontbijten in het hotel Tropiiki, naast de camping. De receptioniste verwijst ons naar het buffet op de begane grond, gesloten. “Oh sorry, you better go to the restaurant on the first floor”. Maar boven is het bepaald ook geen drukte van belang. Er zitten wat oude van dagen een kopje koffie te drinken. Geen bediening, obers, medewerkers of wat dan ook. De enige medewerkster die we zien is de badjuffrouw in een glazen hokje, beneden bij het ‘would be’ subtropisch zwemparadijs. Verveeld zit ze wat rond te kijken, logisch want er zitten maar een man of drie in het zwembad.

We tappen zelf maar koffie en melk in. Op het lege buffet liggen nog net twee onbelegde broodjes, beter dan niets. We gaan aan het raam zitten met uitzicht op het binnenbad met badjuffrouw. Nog steeds geen bediening of wat dan ook. Nou, dan mag je blijkbaar ook zo naar buiten lopen zonder te dokken! Beneden in de toiletten gaan we nog even snel wassen en tandjes poetsen.

Buiten staan de fietsjes, bepakt en bezakt, ongeduldig te wachten. Op naar het noorden. We moeten echter nog eerst even tanken. We vinden alleen maar automaten die zelfs onze creditcards niet lusten. Dat kan nog wel eens een probleem worden, want ik hang zo’n beetje tegen de reserve aan. Contant geld hebben we niet meer zoveel, een dikke dertig eypo’tjes.


Laps motormuisje


Zo’n 5 km de berg op, bij een ski-resort is wel een bank waar je geld kunt pinnen, horen we. Ja, mooi niet dus. Bij de skiwinkel worden we weer verder gestuurd; in Määttälänvaara kun je echt geld pinnen. Hiervoor moeten we wel zo’n dertig kilometer omrijden, ok dan. Maar Määttälänvaara blijkt alleen maar een lullig klein dorpje te zijn met alleen een kleine supermarkt en een tankstation met geldautomaat. Niet een waar je contant geld kunt krijgen, maar een waar je contant geld in moet stoppen om te tanken. Dat moet dan maar want anders staan we straks helemaal zonder. Samen tanken we voor €30,-.


tanken in Määttälänvaara


We nemen dezelfde weg terug en draaien onderaan weer rechtsaf de ‘5’ op, naar het noorden. Toch weer zo’n anderhalf uur kloten om aan wat benzine te komen.

Het rijden is best wel vermoeiend. Je moet constant je hoofd erbij houden. Als je even niet oplet en met je wiel in de berm raakt, is het ineens afgelopen. De kans dat er, na elke bocht of bult, ineens een stel rendieren op de weg staan is erg groot. Degene die voorop rijdt moet continu in boogjes kijken: van links bij de motor, langs de berm naar voren, dan oversteken en rechts langs weer terug tot vlak bij de motor. En dat de hele tijd door. Aangezien de wegen hier allemaal een stuk hoger liggen dan de omgeving, lopen de bermen allemaal schuin en onoverzichtelijk naar beneden. Rendieren vinden de schuine taluds heerlijk om tegenaan te liggen, voor hun lijkt het vast een soort knuffelmuur. Goed verstopt door hun schutkleuren.

Het is warm. Ik begin al aardig trek te krijgen, een droog bolletje is het enigen dat we gegeten hebben. Stoppen bij het eerstvolgende eetding. Aan de kant van de weg staat een metershoge sneeuwpop van wit plastic folie op een parkeerplaats.


Café Tuulenpesä, op de poolcirkel


Prima plekje voor de lunch. Het café, Tuulenpesä, ziet er uitnodigend uit. We kunnen ons buikje vol eten aan het buffet voor maar €7,- per persoon. Heerlijk, rendiersteak, aardappeltjes, sla en diverse toeten.

Aan de kant van de weg hangt een bord met een kaart van noordelijk Finland met de poolcirkel erop. Tja, leuk, maar waar is die “Arctic Circle” nu eigenlijk? Het zou toch knap lullig zijn als we het al gemist hebben. “You’re standing right on it” lacht de Finse serveerster ons toe en wijst naar mijn bevallige voeten. ‘Blijkt dat we, heel toevallig, nét op het juiste punt gestopt zijn om te eten. Napapiiri heet dit in het Fins.


Napapiiri (poolcirkel dus)


In het winkeltje koop ik nog twee T-shirts voor Jos en Niels. Een met allemaal muggen erop met een, waarschijnlijk schunnige, Finse tekst eronder voor Niels, en een met een rendier, voor Jos. Aan de voorkant zie je het vooraanzicht en achter op het shirt de bips van het dier.

We stappen voldaan weer op en rijden verder noordwaarts. We rijden een paar uur door. Tegen zessen rijden we langs de camping die ik had uitgezocht. Helaas blijkt deze alleen voor campers en caravans te zijn. We besluiten dan maar door te rijden naar Ivalo, zo’n 100 km noordelijker. Ongeveer 35 km voor Ivalo vinden we het wel welletjes, we zijn moe, ik begin het koud te krijgen en ik wil een lekkere bak soep of zo. We slaan af bij een ‘mesje en vorkje’-bord. Een stukje ten oosten van de doorgaande weg ligt Saariseläntie. Hier staat een prachtige authentieke Samische blokhut. We kunnen gelukkig nog eten. Er is alleen rendiersoep met groente, prima, heerlijk, graag. Met brood, een soort zuurdesem, en boter een heerlijk eenvoudig, doch voedzaam maal.

Pieter vraagt aan de gezellige Lapse moeke wat voor tekst op het “muggen T-shirt” staat; zij barst in lachen uit en loopt weg. Het zal inderdaad wel schunnig zijn.

Naast de heerlijke soep hebben ze ook nog hutjes om te slapen. Voor maar €15,- voor ons samen. Mét sauna! “Ten”, zegt de vrouw en wijst naar achteren als ze ons de sleutel geeft. “praätavilhäa vartinaätiskaänen” brabbelt ze lachend. Het zal wel goed zijn. We lopen naar een paar huisjes toe en proberen de sleutel te passen. Nergens kunnen we het getal 10 ontdekken. “Hello, come here” klinkt het uit de verte. Een ietwat corpulente man staat bij het eerste huisje op ons te wachten. We zijn veel te ver gelopen. Nummer ‘Ten’ blijkt het eerste huisje te zijn. Een schitterende grote blokhut, verdeeld in een viertal appartementen. Met een grote zitkamer, ruime keuken, twee douches en een sauna. Super. Onze kamer heeft twee stapelbedden en een soort van balkonnetje. Buiten is het heerlijk rustig. Het enige wat je hoort is het geruis van een ondiep bergbeekje. Het schijnt dat men indertijd behoorlijk wat goud heeft gevonden in deze beek. De man zegt één woordje Nederlands te spreken: “godverdomme”, whoeaaa.


ons onderkomen bij Saariseläntie


We zetten de fietsen tegen de blokhut en laden de zooi af. Wat ’n ruimte, wat een luxe. De avond vult zich met het gebruikelijke beeld, ouwehoeren en genieten van alles.


miljoenen en miljoenen


Mijn widiwidi gaat. “Hallo”, zegt een stem. “Jeroen…?”. “Nee, met Jimmy”. “Hee Jimmy, hoe gaat het, waar zitten jullie, is alles goed?” vraag ik. “Wij zitten onder Alta…” en dan valt de verbinding weg. Ik ga wel een sms’je sturen. Ik ben een beetje bang dat we afspraken moeten gaan maken om elkaar ergens bij de Noordkaap te treffen, het gaat veel te leuk met Pieter. Wij tweeën vormen een ideaal reisgezelschap; volledig op elkaar afgestemd, het is net of ik met mezelf op vakantie ben. Dit is zo uNiels, dat mag je niet verstoren! Door te sms-en kan ik vooraf nog even rustig met Pieter overleggen. Hoe pakken we dit aan. We denken dat de anderen morgen al wel zo’n beetje op de Kaap zullen zijn. Dan zullen ze dus overmorgen weer terug rijden. We hebben de mogelijkheid om via Kirkenes te rijden, dat zal de afstand tussen hun en ons flink groter maken. Een stout klein jokkebrokje om eigen bestwil ontspruit aan onze gedachten. We gaan morgen naar Lakselv, onderaan de Porsangerfjord, zo’n 160 km onder de Noordkaap. Daar zullen we hen sowieso niet treffen. Het klinkt eigenlijk allemaal een beetje lullig, maar deze reis betekent zo veel voor mij dat ik dit op geen enkele wijze wil laten mislukken. Uiteindelijk sturen we een sms'je met de mededeling dat we elkaar best ergens kunnen ontmoeten, maar dat Pieter en ik samen verder zullen reizen, dus niet met z’n vijven!


dagelijkse kost


Pieter heeft de sauna al een half uurtje geleden aangezet. Gewapend met een heerlijk glas whiskey duiken we in ons blote nakende niksie het hete hok in. De intense warmte hangt als een deken om me heen, dit is heet. Het hok is helemaal bekleed met hout, tegenover de deur zit een raampje met uitzicht op een berkenbos; dit is Scandinavië pur sang. Het voelt heerlijk. Pas na een tien minuten begin ik leeg te lopen, Pieter lijkt wel een dweil. We zitten lekker op het bovenste bankje te kletsen. Na een kwartiertje sudderen ga ik even onder de lauwe douche, daarna loop ik naar buiten, slechts gehuld in een onthullend roze handdoekje. Lekker in de frisse poollucht. Het is zo’n graad of 10. De rust is overweldigend. Ik hoor alleen het geruis van het beekje, verder volstrekt stil. Op naar de volgende saunasessie, en nog een. Wanneer ik weer buiten sta voel ik me volledig schoon, citroentjesfris, herboren en best wel lekker. Bij elkaar zijn we bijna twee uur aan het saunaaien geweest.

Om half twee duik ik m’n zachte bedje in. Het is nog gewoon licht, de zon schijnt vrolijk onze kamer binnen, weird.

Tot morgen.


Vr 15 juni 2007

Het is al half tien, iets te laat, maar dat zijn we gewend. Oppakken en kijken of we kunnen ontbijten in het restaurantje. “reindeersoup” lacht de mollige vrouw ons toe. Nou nee, doe maar niet hoor. We kopen wel een paar heerlijke zoete suikerdrollen en een paar koppen koffie.

Tegen elven gaan we weer rijden. In Ivalo stoppen we bij een Samische souvenirshop, het moet toch een keer wezen. Nina wil een Laps lapje, Niels een trol en Jos een lekker zacht rendier. Nina krijgt een prachtig beschilderd ei van steen en een mooie raamhanger van oranje glas, beide met oud Samische symbolen erop. Niels krijgt, na heel lang dubben, een stoer zakmes van Marttiini, een Fins topmerk. Jos krijgt inderdaad een hele mooie zachte rendierknuffel, zittend!


souveniertjes kopen


Het is al weer half een als we de presentjes veilig en stootvrij hebben ingepakt. Nu toch maar eerst een flink stuk rijden, ik heb er zin in. We sturen weer de E75 (4 in het Fins) op. De kilometertjes rollen in rap tempo onder de bandjes door.


geinig meertje


Het ontbijt is toch ietwat te karig geweest, mijn maagje begint zachtjes met zijn klepje te flieberen. Na een klein uurtje stoppen we bij een tankstation voor benzine en een broodje uitsmijter.

Ik ben al een paar dagen aan de “Battery”; een echt lekker energiedrankje. Ik begin zo langzamerhand door te krijgen dat de lange nachten mij overdag een beetje gaan opbreken. Soms voel ik mijn oogleden heel zwaar worden, dat moet niet, vooral niet op de motor. Met dit drankje heb ik daar compleet geen last van. Ik kan natuurlijk wel ’s avonds op een redelijke tijd naar bed gaan, maar daar is het veel te fijn voor. De nachten zijn hier gewoon als overdag, alleen dan nog stiller en nog mooier. Slapen is zonde. Het is hetzelfde als je in een heel luxe hotel gaat overnachten; slapend merk je er helemaal geen drol van, dus moet je zo lang mogelijk wakker blijven om alle luxe zo intens mogelijk te ervaren. Dat is het grote nadeel van luxe hotels, je slaapt voor geen meter!

We gaan lekker buiten in het speeltuintje eten. Het weer is nog steeds prima, half bewokkeld. Als we weer willen opstappen worden we aangesproken door een jonge vent in een rolstoel. We krijgen flink wat pluimvee in onze poeperds gestoken over de gigantische tocht die we maken met zulke oude motoren. “Mooi, niet zo met al die kuipen en koffers, gewoon basic. Zo hoort het, dat is pas motorrijden”. De man ‘deed’ de Noordkaap in twee weken. Hij reist samen met een wat oudere man in een redelijk grote camper. “Ach, zevenhonderd kilometer op een dag is toch helemaal niet veel...?”


eten op, verder weer

Lachend komen onze boxertjes weer tot leven en we zijn weer op pad. Op de driesprong, net voorbij Kaamanen, moeten we linksaf de 92 op, richting Noordkaap. Dit is de eerste keer dat ik een bordje zie van Nordkapp.


eerste bord naar Káhppa


De “4” gaat verder noordwaarts richting Kirkenes. Zo ook Pieter; onverdroten raast hij de driesprong voorbij. Verbaasd rij ik achter hem aan. Het bordje “Nordkapp 343” is toch niet bepaald een “bordje” te noemen, met twee van die dingen kun je haast een klein vliegtuig bouwen. Zoiets kún je gewoon niet over het hoofd zien, zou je denken.

Ik schakel terug naar de drie en trek het gas open. Brullend komen de 50 paarden tot leven, met moeite kan ik de versnelling weerstaan, met witte knokkles hang ik aan het stuur. Dit zijn g-krachten die normaal boven de poolcirkel niet voorkomen.

Ik trek het gas open. Soepel en beheerst schuift de naald naar de 150 en al snel broem ik Pieter voorbij. “Oy, Noordkaap, we rijden verkeerd. We moesten daar afslaan”, schreeuw ik hem toe. Oké, draaien maar en weer terug. We zijn nu, na zo’n 3000 kilometer maar drie keer verkeerd gereden, dat valt toch best heel erg mee. Afgaande op het feit dat Annie nog steeds niet goed werkt.

We stoppen bij de driesprong voor de geijkte foto. De lucht in onze richting ziet er alles behalve rooskleurig uit, zware donkergrijze wolken schuiven ons dreigend tegemoet. Dit betekent nattigheid. Voor ons zien we de weg als een grijze streep aan de horizon verdwijnen. Weinig bochten, maar wel een hele bult bulten. Met een gangetje van om en nabij de 100 is het best spannend rijden. Je rijdt tegen een bult omhoog, terwijl je volstrekt niet weet wat er aan de andere kant is. Maakt de weg hierachter een bocht? Is er wel een weg? Geen rendieren of andere faunatische ongein?

Wanneer je de top van zo’n dertig meter hoge bult hebt bereikt, knal je ook direct weer naar beneden. Meestal met een hellingspercentage van zo’n 10%, op en neer. Soms voel je je maag tegen je schedeldak drukken, en blijft het voorwiel nauwelijks aan de grond.


Pieter blért voorbij


De lucht is nu loodgrijs en zachtjes begint het te regenen. Na zo’n dertig kilometer stoppen we om een paar actiefoto’s en -filmpjes te maken. De motoren zetten we tegen een boompje in het schijnbaar eindeloze woud. Pieter, de rasbioloog breekt zo maar een paar takken af om de motor steviger neer te kunnen zetten. Gelukkig wel dode takken overigens, dus het valt wel een beetje mee. Maar toch…..


de rasbioloog


We filmen om de beurt. Eerst een stukje terug rijden en dan op kruissnelheid voorbij komen blèren, prachtig. Pieters motor maakt mooiere klappen dan de mijne.


de ‘92’ naar Norge


Bij Karigasniemi steken we de grens naar Noorwegen over. Na 18 km rijden we Karasjok binnen. Hier moeten we eerst maar eens een paar kilo Noorse krønen halen. Gelukkig kan ik hier weer gewoon met mijn pinpas pinnen. Flink wat geld in de pot en klaar is Kees.

De overgang van Finland ten opzichte van Noorwegen is opvallend. Finland lijkt heel anders dan Noorwegen, architectuur, winkels, bevolking, kleding, taal etc, alles ziet er anders uit. Noorwegen lijkt gewoon een heel stuk meer Westers. Persoonlijk verkies ik het Finse boven Noorwegen. De vrouwen daarentegen zijn hier weer een heel stuk mooier dan in Finland, en dat is natuurlijk ook niet te versmaden..

In Karasjok nemen we de E6, dé Noordkaaproute. De omgeving wordt ruiger en de wegen slechter. Bergen en dalen, sneeuwvelden en regenbuien, snelstromende rivieren en best wel fris; alles schuift aan ons voorbij.

We rijden in een keer door naar Lakselv aan de Porsangerfjord. Een paar kilometer voorbij Lakselv vinden we camping Stabbursdalen. “Zullen we een hutje nemen”, vraag ik aan Pieter. “Prima plan”.

Op een bord voor de receptie staat: ‘hytter, from Nk350,-, dat betekent ongeveer €42,- voor ons beide. “No” zegt de receptioniste met de meest intense groene ogen die ik ooit heb gezien. These are the prices from last year, it’s now Nk450,-!We ontmoeten elkaar in het midden; Nok 400-, ok. Het hutje stelt niet zo gek veel voor, wél twee kamers, maar toch klein.


hutje, schuurtje


Het diner zal vanavond bestaan uit pizza van de kantine. Helaas is er nog maar eentje. “But the salmon is very good” zegt de man achter de balie. Ergo: Pieter aan de zalm en ik aan de pizza. Het bier smaakt echter een heel stuk beter dan de diepvriespizza. We nemen elk netjes maar één blikje per persoon. Het bier in de noordelijke regionen van Noorwegen is over het algemeen Fatøl van MACK, gebrouwen in ‘s werelds meest noordelijke brouwerij in Tromsø. Later horen we dat in Honningsvåg sinds kort ook een bierbrouwerijtje is gevestigd, maar die is zo klein dat die niet meetelt, ha.


bier


Na het eten roken we buiten op de veranda van de kantine een sjekkie. Op de parkeerplaats stopt een auto met een Belgisch kenteken. “En, lang gereden” vraag ik. Dit had ik beter niet kunnen vragen. Het echtpaar gaat bij ons aan het tafeltje zitten en voor dat we het beseffen worden we overladen met anekdotes over hun ‘avontuurlijke’ tocht naar de Noordkaap. Beide zijn ze vrachtwagenchauffeurs. De hele rit is zo snel gegaan dat ze zo maar twee dagen voor liggen op hun schema. Volgens hun planning zouden ze pas op zaterdag hier aankomen. Maar omdat ze dus beide chauffeur zijn, verliep de hele reis onverwacht voorspoedig. “Nee” zeg ik, “het is nu vrijdag, dus zijn jullie één dag voor op jullie schema”. “Alors, dan hebben we slechts een dag voorsprong, toch ook heel netjes.”

Pieter krijgt een sms’je; “Bel z.s.m. ellende”. Dit was het enige. Merde. Het nummer staat ook niet in Pieters telefoon, dus zal het wel geen familie zijn. We halen ons de meest verschrikkelijke scenario’s voor de geest. Wie zal dit in hemelsnaam zijn.

Op mijn telefoon zie ik dat het van Jimmy komt, ik heb zijn nummer wel. Gelijk maar bellen. Zo te lezen zal een van de drie wel een ongeluk gehad hebben of zoiets. Merde.

We kunnen beide niet bellen, dat zegt het automatische Noorse telefoonmeisje tenminste. Dan maar een sms’je dat Jimmy ons het beste kan bellen. Even later gaat Pieters telefoon; Jimmy. Wat blijkt: ze staan ongeveer 200 km onder Alta met pech. Gerda’s beltdrive van haar Sportster is gebroken. Sneu. Jimmy zegt de Kaap niet te kunnen halen. Pieter stelt voor dat ze het beste via de ANWB een nieuwe snaar kunnen regelen. Dat hadden ze al gedaan, de nieuwe aandrijfsnaar zou vanuit Tromsø worden opgestuurd. Jimmy wenst ons heel veel plezier, zij slaan aan het sleutelen.

Terug bij ons ietepieterige huisje zetten we een klein formica keukentafeltje buiten. Het is weer heerlijk weer. We blijven tot een uur of twee lekker in het zonnetje zitten borrelen.


half twee ‘s nachts


Het begint langzaam wat te druppelen, jammer. We pakken de hele zithoek weer op en gaan binnen zitten. In de regen schrijft het niet zo super.


broertje door het raampje


Bedtijd. Pieter mag kiezen, want hij is verreweg de oudste. Hij neemt de ‘ruime’slaapkamer met plafondlamp, de patser. Ik moet in de living de nacht doorbrengen. Even later hoor ik wat binnensmonds gevloek uit Pieters suite; zijn bed is te klein. Het bedje is pas gemaakt op het kamertje, dus zo’n 1,80 meter. Klaarblijkelijk net even wat te klein voor mijn grote broer.


vette pech


Mijn bed is als een oceaan zo groot, ik zou mezelf er nog in kunnen verliezen, mwaaaah.

Er liggen flanellen lakens op mijn bed, duidelijk al een keer beslapen en bezweet, uhrg. Dit is goor. Ik duik diep in mijn slaapzak om maar niet in contact te komen met de lakens, waarschijnlijk vol met kleine vieze beestjes met enge snuitjes die ook nog eens vreemde Noorse geluidjes maken zoals prøt en krøt. De bedbodem bestaat uit veel te weinig planken; mijn bevallige bipjes glippen er met gemak door. Bikkel als ik ben, val ik al snel in een weldadige slaap.

Hèhè.













Za 16 juni 2007

Negen uur. Langzaam keer ik weer terug in de realiteit, ik heb heerlijk geslapen. Pieter is halverwege de nacht vanuit zijn slaapkamer verhuisd naar de grond in mijn kamer, zijn voetjes steken ver buiten het matrasje uit, ach’erm.

We pakken de bagage weer op en rijden naar de kantine om te ontbijten. Deze is nog gesloten. Logisch ook want we leven nog steeds volgens de Finse tijd, het is hier een uur vroeger. Dan maar ergens onderweg eten. Bij een tankstation annex buurtsuper in Leipovuono gaan we ontbijten.

Het uitzicht is schitterend; de Porsanger heeft hier een machtig mooie baai gevormd. In het supermarktje kopen we verse broodjes, die verdacht veel op Deutsche Kaiser-Wilhelmbrötchen lijken, kaas, skinkeost (ham- en kaasdrab uit een tube), bananen en koffie. Heerlijk en wederom voedzaam, de skinkeost gebruiken we als boter. We moeten tenslotte goed eten, dat zei mam ook altijd! Ik neem ook nog maar even een blikje ‘Battery’.


ontbijt in Leipovuono


We rijden verder noordwaarts langs de Porsanger. Het wordt steeds mooier. We volgen de prachtige kustweg.


laatste kilometers voor de Nordkapptunneln


Alles wat we nu tegenkomen zijn Noordkaapgangers. Ineens staan we voor de Nordkapptunneln. Dit is werkelijk de allermooiste motorrit die ik ooit gemaakt heb, gewoon waanzinnig.

We mogen er nou zo langzamerhand wel van uit gaan dat we het gaan halen, mits er niets misgaat natuurlijk. We stoppen op een vluchtstrook, het is hier zo mooi; de zon schijnt, sneeuwvelden langs de kant, rendieren en dat allemaal in een schitterende baai.


ingang Nordkapptunneln


Wij willen met de bips ‘dans la neige’. “Rob, je helm valt van de motor, valhelm hahahaha” schatert Pieter, de lolbroek.


de eerste sneeuw


We blijven een tijdje rondhangen, foto’s maken, sneeuwpret en genieten. Na een half uurtje duiken we de tunnel in. Deze is een kleine zeven kilometer lang en daalt tot 212 meter onder het zeeniveau. De Nordkapptunneln is slecht verlicht, grauw en klam. Eerst ga je een heel stuk met 9% omlaag, en dan weer met hetzelfde hellingspercentage omhoog. Niet echt een beauty van een tunnel; saai en donker. Vroeger moest je nog met de veerboot over. Nog even en we zijn op het eiland waar de Kaap op ligt. Bij een lief knap meisje betalen we de tol, zo’n NOK70,- (€8,75) voor een enkele reis.

Pieter gunt mij de eer om voorop te rijden, tof. Dit zijn nou net die kleine superattente dingetjes die zo veel betekenen. Pieter heeft daar gevoel voor.

Schreeuwend, gillend en luid zingend sturen we via Honningsvåg naar de Kaap. Een prachtige weg zonder een enkele boom, alleen gras en diverse mossen vormen de vegetatie. We moeten ongeveer driehonderd meter klimmen naar de Noordkaap. De weg omhoog is prima te doen met dit weer, het zonnetje schijnt uitbundig. Vlak voor Skarsvåg slaan we linksaf. Het overgrote deel van het verkeer bestaat uit bussen en campers. De weg is niet bijzonder breed. En er zijn ook geen vangrails langs de rand. Goed opletten dus. Ondanks het verkeer op de weg is het schitterende landschap volledig verlaten. De weg slingert zich op en neer.

Vlak voor de Kaap moeten we entreegeld betalen NOK195,- per persoon, een kleine 25 eypo. We rijden naar de parkeerplaats die afgezet is met grote rechthoekige blokken graniet. Daar kunnen we met de fietsjes net niet tussendoor. Maar misschien wel overheen. Ik zie wel een steen die net een stukje lager is dan de rest, maar misschien is er verder nog een makkelijkere plek om over de afzetting te rijden. Pieter zoekt ook. Hij besluit gewoon over die ene lage steen te hobbelen. Ok, ik ook dus. We rijden stapvoets over de aparte parkeerplaats voor de bussen en campers, dan links langs het Noordkaapcentrum, en staan ineens recht voor het monument.


jottum, gehaald


WE ZIJN ER, we hebben het gehaald, een oude droom is in vervulling gegaan. Onze oude meiskes hebben, zonder één enkele misslag, het hele stuk als op badslippertjes afgelegd; hulde, lof en duizendjarige roem aan onze heerlijke prachtige BMW’tjes, onze “gummi-kühe” zoals onze oosterburen zeggen. Even slikken, wat een prachtige kroon op een prachtige reis met een prachtige broer.

We zijn haast alleen op de Kaap. Mijn fototoestel kan ook filmpjes maken van 30 seconden, precies genoeg voor twee rondjes om het monument. We voelen ons volstrekt niet schuldig of brutaal dat we helemaal tot bij het monument zijn gereden. Hier heb ik al zo’n twintig jaar op zitten wachten en ik wil echt het onderste uit de kan, als het kan. Het moet voor de andere toeristen ook een fenomenaal gezicht zijn om twee van die schitterende motoren, bepakt en bezakt op de Noordkaap te zien.

Terwijl ik Pieter aan het filmen ben, loopt een oudere man dwars door het beeld. “Ja, loop effe lekker door het beeld, Jan Lul” zeg ik, nét iets te luid natuurlijk. Blijkt de man, volgens de wet van Bartje, natuurlijk net weer een Nederlander te zijn. Rij je een hele week door Finland heen, kom je haast geen Hollander tegen, en wie speelt weer de ‘Hekking’…, een dikke drieduizend kilometer van huis………?! Met een vuurrode kop bied ik mijn welgemeende verontschuldigingen aan. Dit verwacht je toch niet.

We plakken de fietsen tegen het hek, geen PAAAAALTJE te vinden hier. Ik probeer Nina te bellen. Jammer, volgens de Noorse telefoniste is dit helaas niet mogelijk. Dan maar sms’en.

Wanneer ik bij het voorwiel van mijn motor op de grond zit komen er een paar Duitsers aan; “dass hatte Ich schon gedacht, Holländer” of zoiets. Ja…., wij wel ja…..


bellen lukt niet


Er worden flink wat foto’s gemaakt van onze motoren, kennelijk toch wel speciaal hier, zo ver in het noorden. We blijven nog wat rondhangen voordat we, netjes als we zijn, de motoren weer naar de parkeerplaats brengen. Eerst nog snel een paar rondjes om het monument.

Hillary heeft speciaal een pakketje gemaakt voor óp de Kaap. Een lieve brief, een piepklein flesje Irish whiskey, twee Legopoppetjes met hellumpjes en een ballon. Zo lief!


hoast aachter de poest


Vanwege het feit dat we nog helemaal naar beneden moeten rijden, nemen we elk slechts één klein slokje van de whiskey, “proost. Done it”. Pieter blaast het ballonnetje op en laat hem vliegen. In plaats van het ruime sop te kiezen, richting Noordpool, maakt het ballonnetje een klein bochtje en neemt vastberaden een zuidelijke koers. Misschien komen we het nog wel ergens tegen als we terug rijden.


Pieter en ik op de Kaap


We lopen het schitterende informatiecentrum in, de Nordkapphallen. In diverse verslagen heb ik gelezen dat de entreeprijs voor de Noordkaap belachelijk hoog is; de gids van “Lonely Plannet” heeft het zelfs over “Europe’s northernmost rip-off”. Eigenlijk best wel een beetje heel erg overdreven wanner je het complex inloopt. Een schitterende ruime ontvangsthal met panoramisch uitzicht over Barentszzee en een ruime souvenirwinkel met eigenlijk best wel hele mooie dingetjes en freubeltjes. Verder een mooi, en lekker restaurant, ook met hetzelfde schitterende uitzicht. En beneden een bioscoop met een prachtige gratis film, geprojecteerd op een 180° scherm. Via een lange gang onder de grond kom je in de ‘Grotten Bar’ met een groot balkon, natuurlijk op het noorden. Halverwege de gang bevindt zich de meest noordelijke kapel ter wereld. Verder is er nog een Thais paviljoen, wat mij niet zo veel zegt overigens. Het geheel is echter, in mijn ogen prachtig opgezet, schoon en goed verzorgd. Al met al zeer zeker de toegangsprijs waard. Mocht je desondanks toch gratis en voor niets de Kaap op willen, moet je gewoon na tweeën ’s nacht gaan; dan is het centrum gesloten, en dus ook de kassa’s bij de entree, en kun je gewoon vrolijk doorrijden.

Just for fun vragen we de receptioniste of we heel alstublieft even met onze motorfietsen bij het monument mogen staan. “No, no, that’s strictly forbidden, I’m sorry”, er volgt nog een ietwat vaag verhaal over motoren die ‘brilletjes en donutjes’ draaien in het grint. We verzekeren de jonge dame dat we beslist niet zulke motorrijders zijn, maar het mag niet baten. We mogen beslist niet de Kaap op met de fiets, sneu zeg.

Trots vertellen we haar dat we het al lekker gedaan hebben, ha. Ze lacht, “that must have been between our two shifts”. Maakt niet uit, wij hebben het gelukkig kunnen doen. We lopen de winkel in om kaarten en stickers te kopen voor op de fiets. Pieter moet nog altijd iets voor Jeroen kopen. De stickers zijn allemaal nogal luidruchtig, voor zover een sticker luidruchtig kan zijn natuurlijk. We zoeken de rustigste uit.

In het restaurant ‘Compasset’ halen we een heerlijk broodje zalm met warme chocolademelk, een perfecte combinatie. Uitkijkend over de Barentszzee, driehonderd meter beneden ons, schrijven we gelijk maar alle kaarten, ’n flinke klus. Het leuke is dat je de kaarten dan in het meest noordelijke postkantoor ter wereld kan laten stempelen en versturen, tja, en dat doe je dan ook.

Het mooiste van zo’n centrum is wel dat iedereen vrolijk en blij is. Voor praktisch iedereen is dit de eerste keer, en het is voor velen een heel duidelijk doel. Mensen worden zo heerlijk open als ze vrolijk zijn.

Ik bots bijna tegen de man van het kleine filmincidentje van daarnet. We raken aan de praat, een superaardig echtpaar; nu schaam ik me nog dieper. Noordkaap is leuk, fun. Als je je ogen maar openhoudt.

Zo klaar, “done it”. We stappen weer op de fiets. Een, wat nieuwere BMW wil niet starten. Zal hoogstwaarschijnlijk wel de elektronische multidisciplinaire inspuitingsunitdefibrillator zijn die de lucht niet dik genoeg vindt, zo hoog op deze rotspunt. Gewoon conventionele carburateurtjes erop zetten, geen probleem. Gelukkig gaat het vanaf de Kaap alleen maar naar beneden, dus aandrukken is geen probleem.

Zoveel mogelijk over de ‘as’ van de weg rijden we de smalle kronkelweg naar beneden, zonder vangrails en met enge, trekkende diepten. De berm aan de buitenzijde van de bochten is meer dan breed zat, maar wel een dikke vijftig meter lager dan waar wij rijden. Niet echt een lolletje. Ik ben beslist niet vaak angstig op de fiets, en ik heb niet echt hoogtevrees, maar deze weg doet me de knietjes wel iets strakker tegen de tankrubbers drukken. Vooral als je een bus tegemoet komt! Alles heel voorzichtig.


van de Noordkaap naar beneden


Plotseling worden we in een krappe bocht, luid bulderend ingehaald door een tweetal Harleys. Ze jagen ons met een noodgang voorbij. Dit kan niet goed gaan. Boven in het Compasset zagen we de beide Zwitsers al vrolijk een fles rode wijn verorberen (vies woord hè), volledig gehuld in stoere Harley jasjes met stoere flubberdingetjes.

De hele weg naar beneden verwacht je na elke bocht een hoopje Amerikaans afval te vinden, diep onder je. Gelukkig blijkt er niets gebeurd te zijn want we zien niks, oef.

Onderweg rijden we achter een Nederlandse auto van “Opel Wanders” uit Assen, maf. Aan het eind van de afdaling, bij Skarsvåg moeten we op een T-splitsing linksaf slaan, Pieter rijdt voorop. Nét even te hard stuurt hij de bocht in, oei, rechtuit sturen en kort stevig remmen en dan weer omgooien, de enige juiste manier voor zo’n hickupje, als je te hard in de bocht remt ga je tenslotte glijden. Pieter rijdt écht goed! We komen bij camping “Kirkeporten” aan, vlak voor Skarsvåg. Beschut achter een schutting is de tentplaats. Stiekem kies ik een plekje ten noorden van Pieter, ha.


rendieren op de camping


Voordat we de tenten uitgepakt hebben worden we aangesproken door een Nederlandse vrouw. Dit zijn dezelfde mensen als waar wij net achteraan reden vanaf de Kaap. Ze biedt ons een kopje koffie aan in hun caravan. Tof. Maar eerst wil ik de tent even opzetten want het begint zachtjes te regenen. Het zal zo’n beetje 12º zijn en samen met de regen is het toch wel frisjes te noemen. Aangezien we hier twee nachtjes blijven slapen zet ik m’n tent zorgvuldig op. Het kan hier flink spoken.


noordelijkste Camping ter wereld


In de behaaglijke en ruime caravan worden we ontvangen door Gert en Antje, een echtpaar uit Roden, zo achterin de vijftig. De man, Gert dus, komt mij op de een of andere manier bekend voor. De enige link blijkt het koor te zijn; Gert zingt bij het Roder Mannenkoor, en daar hebben we al eens mee gezongen. Maf, helemaal hier op de Noordkaap. Na een uurtje gezellig koffieleuten gaan we weer verder, we moeten tenslotte nog eten.


Skarsvåg


De kantine van de camping wordt natuurlijk net weer verbouwd. We lopen Skarsvåg in. Aan de rand van het dorp is het enige restaurant in de wijde omtrek, het Nordkapp Turisthotell. Helaas kunnen we nog niet eten want er is net een bus Duitsers opengetrokken. In de ‘lobby’ drinken we een pilsje terwijl we wachten. We kunnen over twintig minuutjes eten. Na een half uurtje maar eens even vragen. We kunnen gelijk aanschuiven, zegt de serveerster flauwtjes, ze heeft een opvallende piercing halverwege haar neus en oor, waarschijnlijk uitgeschoten bij de tandarts of zo.

Pieter en ik bestellen allebei iets waar het woordje ‘macaroni’ in voorkomt, de rest is niet te begrijpen. Ondanks het ellenlange wachten op een van de meest ongeïnteresseerde oberinnen die ik ooit heb gezien, is het eten prima te versmaden, en lekker bovendien.

We lopen terug naar de camping voor de tweede maal Noordkaap, het is nu tegen tienen. Het weer is al flink opgeknapt, vanuit het noorden lachen schitterende luchten ons tegemoet. Tof, we gaan weer naar boven.

Op de Kaap parkeren we onze ouwe trouwe Strübelschwänchen tegen de muur van Nordkapphallen, naast een hoge BMW R1150GS, zo’n uit de kluiten gewassen Parijs-Dakar fiets uit Bunne, vlak bij Peize. ’t Is wat…….


s nachts op de Kaap


Stoer vertelt de man dat hij dik achthonderd kilometer off the road heeft gereden, kunst met zo’n machine! Veel later horen we dat Jimmy deze man ook is tegengekomen op hun heenreis.

Het is nu beduidend drukker hierboven, vooral campers. De hele parkeerplaats staat vol met de meest luxueuze motorhomes, met alles erop en eraan. Zij zullen gewoon de hele nacht op de Kaap blijven. Het is nu elf uur ’s avonds en net zo licht als in Peize om één uur ’s middags in de winter. De zon gaat nog steeds schuil achter een smalle wolkenband, zijn stralen schieten als heldere vingers op de onstuimige Barentszzee.


vingers van zonlicht kietelen de zee, hihi


Het waait behoorlijk hier boven. Bij het monument is het nu ook opvallend druk, ten opzichte van vanmiddag. Een hele groep Japanners verdringt zich om de stalen globe. Een aantal vrouwen loopt met mondkapjes voor; waarschijnlijk is de lucht hier een tikkeltje te zuiver.


echte zuivere zeelucht


Prachtig om al deze mensen te horen en te zien, de een is nog vrolijker en gekker dan de ander. Het is leuker om naar de mensen te kijken dan de Kaap.

De kleuren in de lucht worden steeds mooier, Pieter en ik maken de wereld aan foto’s, dat wordt snoeien straks. We lopen weg van de drukte. Westelijk van het monument kun je nog een stuk over het hoge klif lopen. Het stuk is wel afgezet, maar het hek is stuk. Er staat een bordje dat de rots op dit stuk van de Kaap niet echt betrouwbaar is. Nou, het zou wel erg raar zijn dat we nu, op dit tijdstip, ineens dik driehonderd meter naar beneden donderen, omdat net nú een stuk van de rots afbreekt. We wagen het erop. Hier kun je trouwens nog mooiere foto’s maken, vooral omdat nu de zon echt doorbreekt en de meest mooie tinten over de zee uitstort. Pieter tart het lot door nog verder naar de rand te lopen, tot op zo’n twee meter van de gapende afgrond. “Pieter, ik heb geen zin om het hele stuk in m’n uppie terug te rijden, je mag wel weer terug komen”. Wél vette foto’s, zo dicht bij de rand.


wind in de rug


We lopen terug naar het gebouw. Ik wil nog even een koelkasttrol kopen. “You sing……” zegt de betoverende caissière als ik langsloop. “Yes, because I’m happy. I planned this trip for a few years ago and now we’re here. Yes I’m very happy indeed”.

We stappen weer op de motor. Het is half twee. Dit is nu de tweede keer dat we vanaf de Kaap naar beneden rijden. Na drie kilometer stoppen we bij het startpunt van de wandelroute naar het echte noordelijkste puntje. Dit gaan we morgen doen, toch?.


Skarsvåg om twee uur ‘s nachts


Terug bij de camping duiken we gelijk met de fles whiskey de sloot in. Twee uur ’s nachts, de zon fel in je gezicht, super gezelschappig samen, heerlijke whiskey, grazende rendierentjes recht voor je neus, tussen de gevlekte orchissen, uitzicht op een idyllisch vissershaventje met doorkijkje over de Barentszzee, lekker warm in je motorpak aan een zacht kabbelend beekje, bwaaaaaah. “grtvrdrktjprnnk, de fles is leeg. Pieter, help, de fles is leeg” In een week een hele liter drank op, plus nog een halve fles gin, niet goed!


urenlang aan een kabbelend beekje


We gaan maar terug naar de tentjes. Eerst lekker douchen om weer wat warm te worden (later horen we dat het vannacht maar zo’n zeven graden is). Mijn slaapzak doet wonderen; heerlijk warm, ruim en comfortabel. Morgen moeten we achttien kilometer lopen. Snel val ik een weldadige slaap.

Truste


Zo 17 juni 2007

Half tien. Het regent en we hebben ons een beetje verslapen. “Doe maar niet hoor…., dat wandelen” zou Margriet zeggen. Nee, we kunnen beter niet gaan wandelen, we kunnen beter lekker gaan ontbijten en dan naar Honningsvåg voor een Internetcafé of iets dergelijks. We hadden al eerder gehoord dat we bij Rica Hotel Honningsvåg konden Internetten. Heerlijk in de lounge, warm en met een heerlijk kopje koffie schrijven we achter elkaar stukjes in onze G-mail ‘motormuizen’.


prima bij Rica


Na twee uur beginnen de buikjes diep te rommelen. Het wordt tijd voor een onvervalste grootse hamburger. De Noorse hamburgers zijn volstrekt niet te vergelijken met de Nederlandse. Hier zij ze echt, je eet echt gehakt. Op een lekker vers broodje met verse sla en zooi.


Honningsvág


Onze motoren staan lui tegen de gevel. Kennelijk toch apart hier, de fietsjes zijn al herhaalde malen gefotografeerd door verschillende voorbijgangers. Tof.

Na het eten stappen we weer op om de webcams te zoeken die ik vanuit Holland al zo vaak heb bekeken. Ik vind het speelplaatsje en het kerkje, maar de camera’s niet.

Dat we niet naar Knivskjellodden lopen, wil natuurlijk niet zeggen dat we ons hoofd niet in de Barentszzee gaan dippen. In het zadel en op naar Skarsvåg.

Eigenlijk is de voor vandaag geplande wandeling dikke onzin. De Knivskjellodden mag dan wel het noordelijkste puntje van het eiland Magerøya zijn, maar het is en blijft een eiland. Alleen het feit dat er een weg ligt tussen het eiland en de vaste wal doet het eilandgevoel wat minderen. De werkelijke Noordkaap, op de vaste wal dus, ligt dus eigenlijk ten zuiden van de Noordkaap Ik zou net zo goed naar het eilandje in het Paterswoldsemeer kunnen zwemmen en daar heel trots op het noordelijkste puntje gaan staan. Svalbard (Spitsbergen dus) is ook een Europees eiland en ligt een dikke 650 kilometer ten noordoosten van de Kaap; dus dat is nog noordelijker. Wat echter wel een feit is: de Noordkaap is het meest noordelijke, via de weg bereikbare plekje van heel Europa. En dan zijn wij zelfs nog verder naar het noorden gereden omdat we ook nog een paar rondjes om het monument hebben gereden. Maar al dit even terzijde.


Knivskjellodden vanaf de Noordkaap


Net voorbij Skarsvåg is een verlaten vlakte, we kunnen niet verder. Hier gaan we dus dippen. De zee is alleen bereikbaar via grote gladde rotsblokken. Als jonge hinden stuiteren we lichtvoetig en gracieus van blok naar blok. Het water is kraakhelder.

tot aan de hals in de Barentszzee


Dit is het echte koude noorden, guur en respect afdwingend. We steken allebei ons hoofd tot aan de hals in het ijskoude zeewater. “We kunnen nu met recht zeggen dat we tot aan onze nek in de Barentszzee zijn geweest”, zegt Pieter, ha.

Een helder rood wit gekleurde vissersboot vaart langzaam de haven binnen; kijken!


vlak bij Skarsvág


Via een grote slang worden tonnen koolvis uit het schip gepompt. Hoezo, overdaad. Heftrucks rijden af en aan met grote witte bakken ijs. De planken van de steiger buigen vervaarlijk door onder het gewicht.


sei (koolvis)


Terwijl we op de spiegelgladde houten steiger staan, worden we aangesproken door een lange jonge vent in een oud zwart leren motorpak. Een beetje qua type Henk Santingh. Hij vraagt in het Engels of de beide BMW’s van ons zijn. Of wij ook een Nederlander hebben gezien op een oude Simson. Inderdaad hebben we een uur of drie geleden in Honningsvåg diezelfde man gezien, geinig. Hij zal er nog wel komen. De Noordkaap is een verzameltrog van reizigers; iedere toerist gaat naar de Kaap.

Iedere toerist, behalve een jongen die we op de camping tegenkomen. Hij komt uit Duitsland en heeft 8 dagen lang op zijn 200 cc Vespa Piaggio scootertje gestuurd. Hij was net aangekomen, rechtstreeks uit Tromsø. Acht uur rijden, dus zónder de pauzes. Hij had eigenlijk geen zin meer om naar de Kaap te gaan. Hij wilde liever morgen weer op pad. Via Finland naar Estland, Letland etc. Eigenlijk hetzelfde standpunt als wij: de reis is het doel, niet het doel. De filmpjes waar wij met de fiets om het monument rijden zijn doorslaggevend; “mach Ich auch”. Vooral omdat ’s nachts, na tweeën, het Compasset gesloten is en de tolpoortjes open, ‘kun je lekker doorkarren.

We rijden terug naar de camping. Het is grauw, met een kille bries vanuit het noorden, heerlijk. Dit is weer het weer wat je zo goed met deze streek kunt associëren. Veel mooier en interessanter dan een zonnige dag.

Het diner zal vanavond bestaan uit brood, kaas en whiskey, niets speciaals. Een groot voordeel is dat de afwas deze keer weer eens meevalt, ha.

Pieter heeft zo nu en dan wat last met starten, zijn motor dus! Dit is de eerste keer dat we wat onderhoud doen aan de fietsjes. Ik stel Pieter’s carburateurtjes en weldra pruttelt het oude beestje weer als een eitje, dat danst in het kokend water.


carburateurs afstellen


We moeten weer hoognodig in het verslag schrijven, eigenlijk best weer een opgave; lekker rustig genieten van alles komt even op de tweede plaats. We gaan weer in de smalle gemeenschappelijke ruimte zitten, samen met een Duits stel, irritant fluisterend tegenover elkaar. Een tafeltje achter ons zitten twee Belgische mannen, de een supercorrect en chagrijnig : Helly Hanssen met GPS in z’n onderbroek, de ander wat alternatiever en ’n stuk vriendelijker. We waren deze twee al tegengekomen op de vorige camping bij Lakselv. Een sportief, net even te nieuw zwart Golfje, twee vederlichte eenpersoonstentjes die op de K2 niet zouden misstaan, sportieve correct gestreken afritsbroeken aan en één paar Nordic Walkie stokjes.

Na een uurtje stapt een Duitse jongen de kantine binnen. Dit is de jongen met z’n Vespa Piaggio. We raken aan de praat, van schrijven komt niet meer zoveel.

Terwijl Pieter zijn schoenen weer overvloedig aan het besproeien is met antinat (lekkage aan één schoen) komen de eerste mensen van de Kaap terug. Het is half een. Buiten is het fris, zo’n 11° en bewolkt.


schrijven onder het genot


We pakken de fles weer ter hals en spoeden ons naar ons favoriete plekje in de beekwal. Nog even een uurtje genieten van het ‘gekabbel en gebabbel’ pfff. Ik weet niet hoe laat of het is, het wordt toch wat frisjes. Een lekkere hete douche doet wonderen, daarna diep wegduiken onder het dons.

Doe.


Ma 18 juni 2007

Ik had de wekker op 8:00 uur gezet, met een half uurtje respijt. Ulli Vespa had ons gisteravond voorgesteld om via Tromsø te rijden. Een prachtige feeststad, zei’ie. Vanuit Tromsø dan via het eiland Kvaløy, langs de prachtige kustweg aan de noordzijde van het volgende eiland Senja, naar Gryllefjord. Vanuit deze haven dan met de “Wail Ferry” naar Andenes op het uiterste noordpuntje van de Vesterålen. Het plan is dan om over de Vesterålen en Lofoten naar Ǻ, helemaal onderaan de Lofoten, te rijden. Dit betekent echter wel dat we een heel stuk om gaan rijden. Die extra reistijd zullen we op de een of andere manier moeten inhalen. Pieter heeft gepland om vandaag tot Bognelv te rijden, zo’n driehonderd kilometer. Dat moet te doen zijn.

Udo Guzzi met z’n mooie zwarte V7 Special en Ulli Vespa komen beide afscheid nemen, zij rijden vandaag ook verder. Toffe lui.

We pakken de tenten en de rest op de motor. Omdat we nu twee nachten zijn gebleven is het toch iets meer inpakken dan voor één nachtje. Terwijl ik tussen alle troep in mijn tent orde schep, belt mijn liefste schattekeuteltje: Nina. De dag begint prima zo, ha. We kletsen lekker even bij. We smussen elkaar elke dag, bellen doen we om de dag.

Op het moment dat ik de tent wil opvouwen, begint het licht te regenen, merde. Het blijft gelukkig bij wat motregen en de tent gaat snel en redelijk droog in de zak. Pieter is al klaar, en dat is laag! Hij heeft gewoon misbruik gemaakt van het telefoontje van Nina. Ik lekker wel en hij lekker niet, blaa.

Klaar, we stappen op en rijden rustig naar Honningsvåg om te tanken en ontbijten. Het is regenachtig en er staat een gure wind, lekker motorweer. Ik heb medelijden met de mensen die nu op de Kaap aankomen en maar eventjes kunnen blijven. Boven op de rots zal het zicht wel erg slecht zijn. Wat hebben wij een mazzel gehad.

In Honningsvåg staat Udo Guzzi wat verloren bij de pomp; “es gibt kein Benzin mehr, Wir mussen warten”. Yep, niet zo erg, we moeten toch nog ontbijten. Ik zet m’n fiets op de middenbok. Toevallig kijk ik op de grond en zie een bout van een middenbok liggen. “Goh, er zijn hier dus meer oude BMW’s met middenbok-problemen” Als ik naar m’n motor kijk, zie ik dat het mijn eigen bout is. Verdorie, is dat ding er toch weer uitgevallen. De middenstander scharniert bij deze BMW’s over twee speciale bouten. Deze bouten zijn vervolgens vastgeschroefd in twee lippen van zo’n vijf millimeter dik. Helaas is het schroefdraad van de bouten te grof voor de beide lippen aan het frame; ze zitten hoogstens met zo’n drie gangen draad vast, en dat gaat op den duur kapot. Een beetje een k*tconstructie.

Eerst maar benzine, koffie en een broodje worst. Na dit fenomenale ontbijt loop ik weer naar de fiets voor de roemruchte bokkebout. Met een steen mep ik een stuk hout van een oud pallet tussen de boutkop en de uitlaat, maar kijken hoe lang hij blijft zitten. Door de hitte brandt het stuk hout mooi in op de uitlaat, gewoon zo nu en dan even aantikken.


provisorisch, maar het werkt


We stappen weer op. Wanneer we het stadje uitrijden bedenk ik dat ik de dubbele espresso nog niet betaald heb bij het tankstation. Foei toch, heb ik Shell benadeeld voor twee maal NOK 15,- (€4,-). Aangezien ik slechts voor zo’n €0,20 aan bonen en €0,001 aan heet water heb verbruikt, vind ik het wel best, een buil zullen ze er wel niet aan vallen voor die dikke 20 cent, ha.

Honningsvåg is beslist niet groot. Maar wel groot genoeg om een beetje hopeloos verdwaald te raken. In alle euforie op de heenweg hebben we helemaal niet op de route gelet, niets komt me bekend voor. Na een tijdje zoeken zijn we weer bij het tankstation. Annie helpt vandaag bepaald niet goed. Eindelijk zien we een bord naar de Nordkapptunneln. Op naar de vaste wal.

Het is gelukkig droog als we aan de andere kant van de tunnel langs de Porsangerfjord rijden. Dit is duidelijk het bewijs dat terugrijden best mooi kan zijn; we zien allemaal nieuwe dingen, schitterend.


de Porsangerfjord


Na een dik uur rijden slaan we bij Olderfjord rechtsaf naar het westen. We rijden nu op de E6, de roemruchte Noordkaaproute, zo’n beetje op de hoogte van Hammerfest. Net na het plaatsje Skaidi zie ik over de snelstromende rivier Repparfjordelva (idiote naam vind ik) een smalle brug hangen; een hangbrug. Daar wil ik op, en van af plassen.

Dat plassen is helemaal niet vies of vunzig, laat staan banaal. De enige reden is, dat mijn eigenste plasje hier, zo hoog in het noorden, wordt vermengd met de kolkende stroom van smeltwater van de hoogvlakte. Een heleboel Rob-celletjes gaan dus een gigantische reis maken naar de Atlantische Oceaan. En dat is toch gewoon een schitterend idee. Gelukkig denkt Pieter daar volgens mij net zo over want ook zijn overtollige lichaamssappen worden in een fraaie boog in het water gestort.


bruggetje over de Repparfjordelva


We stappen weer op. Na een tijdje rijden we over de hoogvlakte. We zitten behoorlijk boven de boomgrens. In de verte zien we aan weerszijden hoge bergen. Het is hier kaal, grauw, guur en vooral desolaat. Vooral tussen de sneeuwvelden is het koud, je merkt gewoon dat de temperatuur zo een 3° zakt. Dit vind ik machtig. Ik zou me niet eens verbazen als ik hier zo maar een of andere trol onder mijn voorwiel krijg.

Na een dikke tachtig kilometer door dit fascinerende gebied, rijden we Alta binnen voor een lekker warm kopje koffie. Ulli Vespa had ons aangeraden om naar een Tourist Office te gaan. Hier kunnen we vast wel informatie krijgen over de verschillende veerponten die we zullen gaan nemen.

In het centrum zetten we de fietsen midden op de Markedsgata, een redelijk groot en modern plein. In een café op de hoek, La Barilla, nemen we koffie met een heerlijke versgebakken wafel. Terwijl ik nog even wat spullen van de motor haal, spreekt een sjofel geklede dertiger me aan. Halflang vies donkerblond haar met een zwart petje. In z’n hand heeft hij een ijsje in een hoorntje waar hij zo nu en dan aan sabbelt. Het witte ijs loopt met een straaltje uit z’n mondhoek, ieuw. Hij zegt me dat ik beter de contactsleutel uit de koplamp kan halen. “Wordt hier zoveel gejat dan?” “Ja” zegt hij lachend en wijst op zichzelf. You wouldn’t survive” lach ik hem, ietwat dreigend toe. “What did you bring for me from Holland?Just a nice smile” zeg ik. Hij blijft de hele tijd om de motoren hangen, steeds sabbelend aan het ijsje dat maar niet kleiner wordt. Op de een of andere manier vind ik het niet zo safe. Ons hele hebben en houwen zit op deze twee fietsen. Het lijkt net of hij zit te wachten tot ik naar binnen ga zodat hij de fietsen kan plunderen. Na een vijf minuten uitdagend heen en weer te lopen verdwijnt hij in een groot warenhuis. Nu eindelijk koffie en de wafel.

Wanneer we weer naar buiten komen zien we de man net langslopen. We nemen plaats op de comfortabele zitjes van beide rossen en rijden vol verwachting hene.

Je kunt er werkelijk geen r**t van zeggen wat we gaan zien, en waar we zullen slapen. In een hutje, tent of misschien in een hotel. Misschien is dit wel het mafste van deze reis, haast volledige onwetendheid, helemaal geen nieuws uit de wijde wereld. Alleen maar wij tweeën op onze trouwe, formidabele diepzwarte BMW’tjes.


de Altafjorden


Het rijden gaat, ondanks het grauwe gure weer, best wel lekker. Gewoon fijn door. Zo’n twintig kilometer na Alta is de weg opgebroken. Stenige gravelwegen, onderbroken door modderig asfalt strekt zich over een lengte van zo’n twintig kilometer voor ons uit. We rijden nog steeds op de E6, een belangrijke verkeersader door Finnmarksvidda (vidda betekent hoogvlakte) naar Tromsø. Gelukkig is er nog een rijstrook vrij. Voor ons rijden een paar hoogstvervelende campers met een slakkengangetje over de smalle weg. De weg is te bochtig om snel in te halen. Er rest ons niets anders dan verveeld achter het kampeerlijntje aan te hobbelen.

Eindelijk zijn we de wegwerkzaamheden voorbij en kunnen we het gas weer lekker opentrekken. De blokjes brullen van plezier. Ik hunker naar een lekkere droge bocht. We hebben de hele middag al voorzichtig over een natte glibberige weg moeten rijden, niet echt heel erg super.

Tussen twee bergruggen is het wegdek eindelijk even droog en trappen we de meiskes eens lekker plat door de bocht. Heerlijk motorfietsen zo. Ik merk dat mijn achterband zo nu en dan iets ruimere bochten wil maken dan ik. Nu al slijtage? We hebben zo’n beetje 4000 kilometer gereden, grotendeels over het messcherpe asfalt van Finland. Bandenvreters daar in Suomi. Normaal draai ik om en nabij de 15000 kilometer met een achterband! Ik ben benieuwd of mijn Metzeler het gaat redden, we moeten nog zo’n 4000 kilometertjes.

Aan het eind van de Langfjorden, bij Bognelv stoppen we voor een plasje en een sjekkie. Pieter vermaakt zich prima met een lange stok, tof jongen. Ik vind dat ik best wel een rare broer heb, toffe broer.


toffe vent, beetje lijp overigens


Na zo’n vijftig kilometer buigt de kustweg linksaf, de bergen in. Op een hoogte van 400 meter rijden we weer tussen grote sneeuwvelden door. De lucht is diepdonkergrijs. Een gure wind zorgt, samen met de regen en mist voor een sinister plaatje. We rijden een flink stuk boven de boomgrens door een sombere bergachtige omgeving, het lijkt wel wintersport met klotenweer.

Bij Tretten, net boven Storslett vind ik het wel mooi geweest. Ondanks de sublieme Dane motorpakken begin ik het toch koud te krijgen. We zijn dan ook ongeveer een honderd kilometer verder gereden dan gepland.

Een klein bordje aan de rechterkant wijst naar een camping. “Hytter…?”, vraag ik Pieter. Het regent tenslotte. Lachend kijkt Pieter me aan, prima. We stappen een klein pieterpeuterig houten hutje binnen. De weldadige warmte straalt ons toe. Binnen zitten twee meiden te wachten op gasten. Er staan alleen maar twee stoelen, gezellig. Verder is er ook geen ruimte. Gelukkig is er nog een huisje vrij.

We sturen de motoren over een glibberig steil stenenpad naar beneden. Goed opletten want als je hier uitglijdt, hobbel je zo de Straumfjorden in. Ons hutje ligt bijna achteraan. Lekker net even te hard druk ik de ribbels van mijn cilinderkop in de hoek van het houten huisje, een handtekeningetje van mijn bikkel. Dit doen we eigenlijk overal waar we de fietsen neerzetten.


stempeltjes in de wand


Voordat we de deur open hebben komt een vrouw met een stem als een scheermes op ons aflopen. “Och, ik zeg tegen m’n man: kijk, twee motorrijders, ik zal ze gelijk koffie aanbieden. Ga maar naar binnen, dan pak ik de koffie”. Super, daar heb ik echt zin in. We hangen de kletsnatte spullen, zo goed en zo kwaad als het maar kan, op. Eerst maar eens even koffie, ohhh.

Het loopt aardig tegen de avond. Trek, het tankstation lokt. Zes kilometer ten zuiden van Tretten ligt het dorp Storslett, hier zal wel een groot tankstation zijn, hoop ik.

Het regent nu al de hele middag, en nu moeten we er nog een keer door. We trekken de druipende pakken weer aan en rijden naar Storslett. In het tankstation staan twee jonge deernen achter de balie. Ik begin rustig met een wrap met kipfilet, gezond en lekker bovendien. Toch niet echt vullend dus gelijk maar een broodje pølsen (worst dus) er bij. Met een paar bekertjes koffie complementeren we ons diner.

We rijden weer terug naar het hutje. Eerst de bedjes opmaken. Wat een luxe zo. De avond bestaat weer uit lekker kletsen en het nodige schrijfwerk.


routeplanner


Ons reisverslag neemt aardig wat tijd in beslag; elke avond zitten we beide wel zo’n twee uur te pennen. Het is iedere keer weer een race tegen elkaar. “Ik zit al in de avond, waar ben jij?”. “Ik ben nog steeds met eergisteren bezig, verdorie, ik loop elke keer weer een dag achter”. Meestal is het Pieter die het eerste klaar is.

Tegen een uur of twee duik ik m’n heerlijke bedje in. Weer te laat, maar dat is niet anders.

Di 19 juni 2007

Voorzichtig doe ik m’n oogjes open. Het is al iets beter weer. Vandaag rijden we naar Tromsø, wat een schitterende, bruisende stad moet zijn volgens Ulli Vespa.

De kustweg langs de Lyngenfjord is schitterend. Helaas kunnen we door de lage bewoking de toppen van de fameuze LyngenAlps niet zien, jammer maar helaas. In Olderdalen zijn we precies op tijd voor de veerboot naar Lyngseidet. Een paar matroosjes zijn druk met schilderwerk bezig. Ik zet m’n fiets tegen de wand; de grijze verf brandt lekker diep in mijn uitlaat. Nu heb ik een handtekening van een Hurtigrutten-boot op mijn motor, ook tof. Gelukkig is er aan het net geverfde stuk op de boot niets te zien.


veerboot over de Lyngen


Wanneer we weer op de steiger staan, draaien we eerst een sjekkie, dat hoort zo. “Paaaaltje”. We zetten de fietsen nog steeds zo veel mogelijk tegen een paaltje of een muurtje. Al met al zullen de motoren wel tegen de 250 kg wegen, en dat lijkt me niet zo goed voor het iele jifje onder de fiets.

Volgens de ‘timetable’ hebben we niet zo bijzonder veel tijd om de volgende veerboot te halen. Het is 22 km naar Svensby.

Wij rijden langs de zuidkust van Iddon Jargga naar de volgende veerboot in Svensby. Daar rijden we de lange rij wachtende auto’s voorbij en zetten de fietsen tegen de kademuur, “Paaaaltje”. Weer prima op tijd.


de Ullsfjorden


Dit soort boottochtjes zijn ronduit schitterend. Je bent even van de motor af, en je krijgt een prachtig uitzicht over alle bergen om je heen. Midden op de Ullsfjorden komt een Nederlandse echtpaar op me af. Op de Kirkeportencamping, bij de Noordkaap, stonden ze vlak naast ons. Ze praat honderduit over haar reizen en haar kinderen, machtig interessant, maar niet heus. Dit wil ik dus niet, ik wil geen verhalen horen van anderen terwijl ik zelf midden in een prachtig verhaal zit. Het blijkt wel dat wij te netjes zijn opgevoed; ik laat het gekwetter gelaten over me heen stromen en probeer ondertussen zoveel mogelijk van de prachtige omgeving te genieten. Volgende keer ga ik het anders doen, lekker puh.

Vanuit Breivikeidet moeten we nog 50 km rijden tot aan Tromsø.


Tromsø


De camping ligt net buiten de stad ten oosten van Tromsø. De stad zelf ligt op een eiland. Deze camping is, in vergelijking met alle voorgaande campings de allerduurste. Daarom doen we zelf ook maar duur en nemen we een hutje. Een mooi hutje, ondanks de muffe stank. Ik vraag aan een schoonmaakster of ze iets aan de stank wil doen door even met de plantenspuit, die ze in haar hand heeft, in het hutje rond te spuiten. “Can I smell”, vraag ik haar, en breng m’n neus naar het witte spuitkopje. Meteen spuit er een straal chloorachtige zooi op m’n neus. “Sorry, sorry, oooh sorry, I’m so very sorry, quick, clean your face, quick”. Gelukkig heb ik de wc-reiniger alleen maar op mijn neus gekregen, dus ik kan er nog om lachen. Pieter ook!

We pakken de motoren af en struinen wat rond over de camping. Langs de camping raast een snelstromend riviertje. Pieter ziet een berkenboom dwars in de stroming.


Camping Tromsø


Die kan weg” zegt hij, en verwoed begint hij aan de boom te rukken. Met een grote stok als hefboom lukt het hem de boom los te wrikken. Moeizaam drijft de boom een paar meter totdat hij weer vast ligt. Toffe actie, broer.

Tromsø roept. Het is vijf uur en we moeten nog eten enzo. Ook wil ik nog een Noorse telefoonkaart kopen, én handcrème. Mijn handen zijn, waarschijnlijk door continu handschoenen te dragen, haast volledig uitgedroogd en vol met barsten, het lijkt de Noorse kust wel.

We rijden de gigantische pijlerbrug over die ons naar de stad leidt. Van verre is het een schitterende brug, maar zo dichtbij is het een grauw, betonnen gevaarte met een wegdek vol gaten en scheuren.

In de stad zoeken we eerst een zaak waar ik de simkaart kan kopen. Een lieflijk deerntje bij een drogist helpt me super. Omdat alles in het Noors is, kan ik me er niet zo heel goed mee redden, sterker nog…. Het blijkt dat vooraf nog een paar faxen met mijn hele doopceel moeten worden verstuurd naar de provider, CHESS, om de telefoonkaart geldig te maken. De keutel heeft er een hele klus aan, wat een service, en wat een leuk lief meisje, hèèèèèh.


telefoonkaartmeisje Tromsø

Gewapend met nieuwe telefoonkaart en handcrème duiken we een pizzeria in. Dit is eigenlijk een van de weinigen keren dat we netjes aan tafel eten, meestal bestaat het diner uit rondhangen met een broodje hamburger of iets dergelijks.


Storgata Tromsø


Tegenover de pizzeria is een soort van Internetcafé, “Darklight”. Het is niet echt een café, meer een door tieners gerunde frisdrankbar. Het doet z’n naam eer aan; donker met hier en daar licht. We slaan beide aan het melen. Het is hartverwarmend zoveel geinige reacties we krijgen op ons eerdere meeltje.

Half tien, het is klaar. We lopen naar de motoren die als een pasgetrouwd stelletje, met de voorbandjes tegen elkaar, nog bij de kerk staan te wachten.


mijn fiets en Pieters fiets,

Pieters fiets is net wat hoger, net zoals een ouderen wc, mwaah

Terug naar de camping. Wanneer we weer de brug over willen, blijkt deze afgesloten te zijn, wegwerkzaamheden. Er is wel een omleiding, maar het lijkt meer op een misleiding. We worden alle kanten opgestuurd, en dan is het op.

Of wij zijn verkeerd gereden, of de Noren hebben het gedaan, wij houden het gewoon op het laatste, ha. Na flink zoeken in- en onder Tromsø, komen we in een langere tunnel. Tromsø lijkt wel een mierennest; ik ben nog nooit door zoveel tunnels onder een stad gekomen. Behalve dan de metro, natuurlijk! Ze hebben zelfs rotondes en afslagen onder de grond, tof.

De fjord, waar we onderdoor moeten rijden, ligt rechts van ons, de tunnelingang ligt echter in de richting naar links, volledig tegen de doelrichting in. Rare jongens, die Noormannen. Een kleine vier kilometer lijkt het net of we constant rechtsom draaien. De uitgang van de tunnel wijst ook weer de verkeerde kant uit, we rijden recht in de richting van het water waar we net onderdoor reden.

Heb je dat ook gehoord; als je in de vier, met zo’n 3000 t/pm rijdt, begint het motorgeluid schitterend te resoneren in de tunnelbuis”, zegt Pieter. Oh, mooi, dan moeten we nog maar eens terug door de buis. Mij lukt het niet, mijn motor klinkt eigenlijk altijd al heel mooi, hihi.

Op de camping is het weer hetzelfde liedje: ouwehoeren, drinkje drinken, motortje kijken van andere reizigers. Zoals een gigantische champagnekleurige BMW R1200RT met een versnelling achteruit, en een schakelaar voor de jiffy (zijstander) uit te sturen (klappen klinkt niet bij zo’n motor). Wat een slagschip. Noordkaap moet een eitje zijn op zo’n ding.


elektriek jifje


Veel van de motoren die we tegenkomen zijn BMW R1150GS en 1200GS’en; ideale zit en alles pico voor elkaar. Geef mij m’n kleine vijfje maar, die is veel leuker en gaat veel langer mee.

Tegen enen lopen we weer naar de hut voor het nodige schrijfwerk. Daarna douchen en slapen, diep slapen.

Heihei.


Wo 20 juni 2007

We hebben weer eens heerlijk uitgeslapen, het is tenslotte vakantie. We hadden gisteren wat broodjes gekocht als Frühstuck. Wwe voeren een broodje aan de stormmeeuwtjes. Deze dieren hebben een speciaal plekje gekregen, toffe gozers die meeuwen. We ruimen het hutje weer netjes op, zoals het hoort. Laden de fietsen weer vol en rijden hene.

Wéér zwerven we kriskras door, en onder de stad. Uiteindelijk vinden we de weg naar Brensholmen, het havenplaatsje vanwaar we naar het prachtige Senja varen. De zuidkust van het eiland Kvaløy is schitterend. We komen heel weinig verkeer tegen. Het is nu al de moeite waard om helemaal via Tromsø naar de Vesterålen te rijden. Tot voor het bereiken van de Noordkaap waren we van plan om via Narvik naar de Lofoten te rijden. Nu gaan we helemaal via Senja naar Andøya, het noordelijkste puntje van de Vesterålen. De noordelijke kustweg van het eiland Senja schijnt minstens net zo mooi te zijn als de weg over de Lofoten, alleen een heel stuk minder toeristisch.

Tegen tweeën komen we in de buurt van de haven.

Annie zegt dat we bij een zandpad rechtsaf moeten, (soms is ze wel lief en werkt ze haast goed, de schat.) Het enige wat mij aan een haven doet denken is het feit dat het pad naar de zee leidt.


haventje van Hillesøy


Aan het eind is zowaar een parkeerplaatsje en een steigertje van staal.

Aan de overzijde van de baai kijken we uit op het plaatsje Hillesøy met z’n prachtige boogbrug á la Tromsø. Het is onderhand helder geworden, zo nu en dan een klein wokkeltje, kortom heerlijk weer. Aan de kant van de parkeerplaats staat een klein houten hokje, met een kachel en een tosti-ijzer.

haventje van Hillesøy


Even verder staat een wc-hutje, 1 bij 1 meter en 2 ½ meter hoog. Over het houten kassahokje en het wc-hutje liggen dikke touwen met aan de beide zijden zware rotsblokken. Het kan hier kennelijk aardig spoken.

We moeten nog twee uur wachten op de boot, tenminste; als het verregende A4’tje aan het hokje klopt. We hangen wat rond en genieten van de intense rust, niemand te bekennen in deze baai. Tussen de eilanden door hebben we een prachtig uitzicht over de “Atlantic”.

Bij het hokje ligt een gigantische buitenband van een of andere shovel. Ik nestel me op de band. Dit ligt heerlijk. Langzaam glijd ik weg, sssssst…….


klein tukje gedaan


Als ik wakker word, zit Pieter heerlijk op een bankje wat te schrijven, stiekemerd. Ik ga bij hem aan tafel zitten. Ik heb nog een lekker stuk worst in m’n tas, het mes erin. In de dikke houten picknicktafel staan allerlei namen gekrast. Ik kan de drang niet weerstaan en kras “Biesje” en “2007” in de tafel. Niet netjes, wel leuk.

Tegen vieren komen de eerste mensen. Een auto met een ouder stel en een vijftal Noren, of iets dergelijks, op stoere trekkersfietsen, eentje zelfs met een karretje. Wat een bikkels. Na nog een half uurtje komt achter een eilandje de boot te voorschijn. Een zwartwitte stalen bak van de Hurtigrutten. Hurtigrutten is de naam van de Noorse postbootdienst die langs de hele kust heen en weer vaart, helemaal tot in Kirkenes. De hele overtocht van wel een half uur blijven we aan dek.


op de Helcøy


Het wordt geleidelijk meer bewolkt. In de haven van Laukvik begint het zachtjes te regenen, merde.

Eerst een paaltje zoeken, sjekkie roken en wat rondhangen. Wanneer we de fietsen weer starten is het gestopt met regenen. We rijden tot Stennesbotn en slaan dan rechtsaf de noordelijke kustweg, de 864, op. Annie begint weer te kl*ten, na iedere gemene bobbel in de weg moet ze weer opstarten. De bobbels van soms wel 6 centimeter hoog hebben de vorm van een halve tennisbal, niet echt fijn als je daar met een gangetje van tachtig overheen knalt met volle bepakking. De diepe poolvorst laat duidelijk zijn tekenen zien op de weg. Nadat Annie voor de vijfde keer opstart stop ik. Eerst maar eens kijken wat er aan de hand is. Ik denk dat het dunne voedingskabeltje los in het kabelschoentje zit. Ik wil eigenlijk niets van de fiets afhalen, de bagage zit net zo mooi. Het kabeltje maakt inderdaad slecht contact. Met ducttape probeer ik het zaakje provisorisch aan de praat te houden.

We rijden door een volledig verlaten gebied. Geweldige rotswanden en glooiende dalen, de enige begroeiing is wat laag struikgewas en een enkel boompje. Van het ene op het andere moment rijden we aan de kust van een adembenemende fjord.


Mefjorden


Dit is de Mefjorden. Messcherpe pieken steken loodrecht, tot wel 400 meter uit de diepe fjord omhoog. Wolken spelen verstoppertje achter de toppen. Dit is werkelijk fenomenaal. Ooohs en aaaahs wisselen elkaar constant af. We stoppen haast om de vijfhonderd meter om nog weer een mooiere foto te maken van dit sprookje.

Na een paar kilometer is een speciaal voor rolstoelen ingericht uitzichtspunt. Met geschaafde houten balken is een glooiende helling gebouwd, langs de kust naar beneden. Aan het eind kom je op de, door een gletsjer, gladgeschuurde rotsen. Ik stuur de fiets tot helemaal onderaan. Tijd voor genieten. Een meisje die we langs de fjord tegenkwamen zit boven in een soort vuurtorentje op de punt van de rots, uitkijkend over de betoverende, feeërieke bergen.


Pieter bij de Mefjorden


De hele route langs deze kust is idioot mooi. Prachtige luchten en schitterende kleuren. Er blijven haast geen superlatieven over om de rest van de reis te gaan beschrijven. We rijden op een hoogte van zo’n vijftig meter boven de zee als ik vlak voor me plotseling twee zeearenden uit de diepte omhoog zie duiken. Wow… Luid krijsend vliegen ze weg, wow.

Even later rijden we langs schreeuwende reclameborden, hier moet ergens een soort Trollending zijn. We volgen de borden en staan ineens oog in oog met een twintig meter grote trol. In de trol is een restaurantje of iets dergelijks, rare jongens die Noormannen. Het is allemaal een beetje veel te toeristisch, dus door maar weer.

We rijden nu al een tijdje achter een grote truck met oplegger aan, die met een noodgang tegen de berg omhoog racet. Plotseling komen we in een nauw en diep dal. De vrachtwagen is spoorloos verdwenen.

Ondanks dat de zon schijnt, is het hele dal in schaduw gehuld. Er is maar één weggetje. We rijden helemaal tot achterin de fjord, de weg krult zich strak om de 500 meter brede diepte. We volgen de fjord een paar kilometer en rijden een klein vissersplaatsje in. Dit moet Gryllefjord zijn, van hier vertrekt de “Whale Ferry” naar Andenes op de Vesterålen. Aan de lange noordzijde van de fjord lopen de rotswanden recht omhoog. De zuidzijde heeft nog een strook van zo’n honderd meter breed waar het geïsoleerde dorpje Gryllefjord in lijkt geplakt. We rijden het hele dorpje door tot we op een kaal terrein komen. We kunnen niet verder.


Gryllefjord


Een paar jongetjes komen op ons aflopen met een spuitbus met een fluorescerende gele verf. “Paint motorbike, paint motorbike”, roepen ze. We draaien snel om voordat het kutjochie ons kan bespuiten. Wat een raar dorp, ’n beetje zoals een klein incestueus dorpje in the middle of nowhere, ergens diep in Oklahoma of zo. We rijden weer terug door het dorp. Halverwege is een kleine kade. Hier komt de boot dus aan.

Uit een grote schuur horen we een zware motor. Voorzichtig lopen we naar binnen. Een jongen van een jaar of achttien is druk in de weer met een quad. Hij weet misschien wel een camping of iets dergelijks. “You better ask in the café”. De quad waar hij aan sleutelt klinkt haast als een stationair lopende Harley. Als hij het gas opentrekt komt het ware karakter naar voren. Een 500cc crossfiets zou er jaloers op zijn, wat een fel ding, het lijkt haast een BMW..

Parallel aan de ‘hoofd’straat loopt nog een klein smal straatje, wat hoger tegen de helling. We stoppen bij een terrasje. Aan de overkant is een soort muziekkoepeltje met wat stoeltjes. In het café, annex snackbar, snoepwinkel en supermarkt staat een meer dan forse meid te bakken en te braden. De heerlijkste geuren verspreiden zich door het café. Mmmmm.

Ze wijst ons de weg naar een camping. Alleen kunnen wij hem natuurlijk weer niet vinden. Eerste weg rechts had ze gezegd, toch? Hier rechts zien we wel een toiletgebouwtje staan, ziet er aardig campingachtig uit. Dit is een klein zandweggetje die zich steil tegen de helling omhoog slingert. Met veel glibberen en sturen kom ik tot halverwege het pad. Dit is niet te doen. Hier kunnen alleen maar héle kleine tentjes staan, en dan ook nog opgerold. Niet goed dus. Het pad is ongeveer een meter breed, draaien is dan best moeilijk met een volgepakte motorfiets. Pieter staat een stukje lager te wachten, hobbelend stuiter ik hem voorbij: “nee, geen camping hier, we zullen wat verder doorrijden”, roep ik hem toe. Na een paar kilometer is een afslag naar Torsken. We moeten kennelijk dwars over de smalle bergrug heen. Boven is het een stuk kouder, ondanks het zonnetje dat hier wél schijnt. Al snel rijden we weer naar beneden.

Dit is een heel andere fjord, niet de donkere kloof zoals Gryllefjord.


rorbuer in Torsken


Na even zoeken zien we ‘Rorbuer’, hutjes dus. Van hutjes is echter weinig sprake. Half boven het water staat een groot rood houten gebouw op palen, schitterend. Ik zet m’n fiets op de stander. Pieter probeert een vuilnisbak, half in het gras te misbruiken. Stoer gassend en spinnend probeert hij zijn fiets neer te zetten, blits. Bijna kan hij z’n cilindertje tegen het hout drukken als ineens zijn achterwiel woest opzij glijdt. Vervaarlijk neigt de motor naar links, Pieter ook en lachend storten ze beide ter aarde. Snel, waar is mijn fototoestel. Uit de carburateur begint benzine weg te stromen, toch maar even helpen. Jammer, ‘zou een heel leuk plaatje zijn. Gelukkig heeft Pieter niets, behalve zijn ego natuurlijk. De fiets staat weer fier en onbeschadigd overeind. Pietertje toch.

Ik loop achter Pierke over de veranda naar achter. Het is hier duidelijk vis. Alles is vis. De wanden hangen vol met foto’s van ‘stoere’ vissers met dooie vis, real hunters, mannetjesputters, helden. Goh, als ik later groot ben…. pfff. Er hangt zelfs een grote kop van een zeewolf met een bek vol vlijmscherpe tanden.


Pieter doet ‘Heidi’


Via een klein deurtje komen we in een verrassend gezellig bruin cafeetje. We krijgen een ruime kamer voor €35,- p.p. Behoorlijk duur, maar in de omgeving is volstrekt niets anders te vinden. De kamer is huge, met tv en keuken. In de planken vloer zit een klein luikje. Waarschijnlijk is dit voor het indoorvissen, dan hoeven de helden tenminste niet naar buiten. Je kunt het natuurlijk ook heel goed als privaat gebruiken, ha.

De buikjes beginnen aardig te knorren. Hier in Torsken is niets te vinden, dus rijden we weer terug naar Gryllefjord. We zetten de fietsen voor het café. Een oudere man met stok en lelijk hondje loopt op ons af. “Mooie motoren” zegt hij in het Nederlands. “Die zie je hier niet meer”. Hij woont al 35 jaar in dit dorp. Onder het praten trekt hij wild aan de riem. Het hondje stuitert op en neer, met zijn wandelstok tikt de man een paar keer tegen mijn spatbord, lul. “Graag een beetje voorzichtig”, bijt ik hem toe. “Oh, uh ja”. Lul.

We lopen snel naar binnen om te bestellen. We nemen beide een joekel van een burger, 175 gram puur vlees, met patat en ’n koel glas bier. Tot onze verbazing mogen we zowaar boven op het dakterras roken, eten en bier drinken én genieten tegelijk. Wat een rebelse weldaad hier in Scandinavië.


haventje’ van Gryllefjord


Het hele pand schudt heen en weer als de hamburger-deerne naar boven komt. In haar handen heeft ze twee borden met fantastische ongebreidelde heerlijkheid. Een pracht van een broodje hamburger met verse sla en zooi en een weldadige berg patat met mayonaise. Een man kan best wel snel tevreden zijn. Heerlijk bunkeren met vet en bier. Een prachtig uitzicht over de smalle donkere fjord. Och, het kan minder.

Het spiegelgladde oppervlak wordt zo nu en dan ruw verstoord door opgejaagde vissen vanuit de diepte. Stormmeeuwtjes scheren laag over het water, zij zijn de enige die zich laten horen. Voor de rest volledige rust. Het kan minder.

Na de heerlijke dis rijden we weer naar Torsken. Ik wil Annie nog even maken. Het kabelschoentje is inderdaad het euvel. Gelukkig heb ik nog een nieuwe bij me en al snel presteert de jongedame weer optimaal in al haar onkunde, hoera.

Op het ruime houten terras kun je machtig mooi zitten. Het terras staat op palen boven het water, het uitzicht is fenomenaal.


uitzicht vanaf het terras


We kijken uit over de Torskenfjorden met z’n besneeuwde toppen eromheen. Langzaam merken we door het draaien van de bootjes dat de vloed opkomt. Wat is het hier mooi, heerlijk met een fijn glaasje en ’n pretsjekkie zitten we uren te genieten. Pieter houdt het alleen bij het glaasje. Het enige geluid wat je hoort is de waterval aan de overkant van de fjord, op zo’n 500 meter, en de vele vogels die hier gewoon de hele dag door vliegen, zelfs een koekoek in de verte. Slapen die beesten dan nooit, of hebben ze ook van die ANWB-maskertjes op, pffff, dûh.

Het is heerlijk fris en halfbewokkeld. Het zonnetje staat net achter de bergen, maar het is nog volop licht. Zo nu en dan wordt de vredige rust ruw verstoord door een wc die doorgetrokken wordt. Alle zooi belandt gewoon rechtstreeks in de plomp, lekker hoor.

Weer wordt het veel te laat. Het is niet mogelijk om op tijd te gaan slapen; het is gewoon te mooi. De rust, mijn grote broer, de nacht die geen nacht wil zijn, de omgeving, alles. Ik wil alles proberen te ervaren, zo lang en zo intens mogelijk is het idee van deze reis.

Ik rook nog een sjekkie, drink m’n borrel op en ga slaap’n. Pieter heeft het grote tweepersoons bed en ik, half daarboven, een enkel bed.

Welterusten, Ik ben bij met schrijven, ha.

Hoe zou het thuis gaan; Niels heeft net wat heel vervelends gehoord over een vriend van hem. Zet de opgaande lijn van Jos nou eindelijk door, de laatste berichten zijn veelbelovend. Nina met haar bouwvergaderingen in de schaftkeet, vreemde bouwmannetjes in je kelder, urenlang afgesloten zijn van gas en licht. Chapeau schat, je bent een heuse bikkel. En Henk, hoe zou hij reageren als ik weer thuiskom, wordt het blaffen van plezier, of gaat meneer gepikeerd in een hoekje zitten omdat ik zo lang ben weggeweest? Henriette zal waarschijnlijk wel helemaal niet reageren, onze lieve, maar oh zo arrogante kwekkende takkekat.

Jimmy, Gerda en Robert zullen al wel op de Noordkaap zitten. Jimmy had al gesmust dat twee van de drie fietsen “Kaaploos” ten onder zullen gaan. De BMW van Robert heeft nog steeds een kapotte startmotor, en zo’n 1100 cc tweecilinder druk je natuurlijk niet zo snel aan, vooral niet als hij warm is. Ze hebben in Alta een busje van de plaatselijke motorzaak geleend. Wat een pech; eerst Gerda met de aandrijfriem van haar HD en toen Robert met zijn startmotor, sneu. Ze hebben in ieder geval de Kaap gehaald, weliswaar zonder motor maar toch….. De Noordkaap is voor hen het doel. Ik hoop dat ze mooi weer hebben.

Aan de rand van het terras bevindt zich een lange lage drijvende steiger waar alle vistroep staat; hengels, boten, een grote veerunster en een aantal tafels waar je de gevangen vis kunt uitbenen. Het lijkt net of ik midden in de fjord sta.

Nu ga ik echt slapen, Pieter ligt al lang op een oor, watje, tssss.

Wéér welterusten. Ik ben nóg bijer, ha, daar kan Pieter een puntje aan zuigen.

Truste.


Do 21 juni 2007

Om negen uur gaat de wekker. Om elf uur moeten we de boot hebben in Gryllefjord. De zon staat uitbundig stralend aan het zwerk, geen wolkje aan de lucht. We pakken de fietsen weer op en rijden naar de haven. Een bult Duitse GS’en (luxe off-road BMW’s met alles erop en eraan) staan naast elkaar ordentelijk in een paar parkeervakken, “wie in Armee” hebben we ooit eens horen zeggen. We rijden onze beestjes triomfantelijk langs de vakken en gaan pontificaal vooraan staan; motoren moeten toch altijd als eersten op de boot.

In de haven bevindt zich ook de buurtsuper. Hier kopen we fruit (één banaan), koffie en een ‘broodje gezond’. Gewoon een heel mooi ontbijtje voor op de boot.


haventje’Gryllefjord

in het grijze huisje op palen hebben we gisteren gegeten


Tegen elven kunnen we de boot oprijden. Op het dek staan een paar plastieke tuinstoeltjes. Gewapend met verrekijker en fototoestel nestelen we ons op de ‘Whale Ferry’ naar Andenes. Pieter heeft Kapitein Rob gevraagd of ze walvissen hebben gezien op hun tocht vanaf Andenes. Halverwege schijnt een dooie walvis in het water te liggen. De Noorse marine zal het enorme karkas verder de oceaan opslepen. Met kanonvuur zal het dier in duizenden stukjes geschoten worden. Dan kunnen er geen bootjes tegen aan varen, en stinkt het ook niet zo.

Ze hebben dus op de heenvaart geen levende walvissen gezien, hopelijk hebben wij meer mazzel.

Het dek begint te trillen als de veerboot van de kade wegvaart. Onder een grauwe rookpluim kiest het oude schip het ruime sop. We varen nu op de Atlantische Oceaan. Hoe hard ik ook door mijn kijkertje kijk, géén enkele walvis. Wel een hele kudde alken en papagaaiduikertjes, schitterend. Zo nu en dan betrap ik mijn oogjes op dichtvallen, foei toch, en dat op zo’n prachtige boottocht. Plots maakt Pieter me wakker. “Een walvis, dood”, nou, dat zie je ook niet elke dag. Het lijkt zo vanaf het schip net een klein eilandje midden in de oceaan.


dooie walvis, ‘zijn ze wel gewend in Noorwegen!


Het is nog steeds stralend weer als we na drie uur varen de haven van Andenes binnenlopen. Ik krijg gelijk al het eilandgevoel, net zoals op Schier, alleen is dit eiland wel beduidend groter. Bij de plaatselijke VøVøVø worden we op weg geholpen door een charmante Noorse. Volgens haar loopt de mooiste route langs de westkust. Eerst even wat pinnen en dan eten en tanken in het tankstation bij het vliegveld, de broodjes pølse komen me zo langzamerhand een heel klein beetje de keel uit.

We beginnen maar weer eens aan een prachtige toffe motortocht, pfff. Wat een prachtige kustweg, ’n échte kustweg in de ware zin van het woord. Allemaal ooooohs en aaaaaahs die ons blijven verrassen, geweldig.


Vesteralen, de westelijke kustweg


Langs de hele route spiesen spitse bergen in de lucht. De weg leent zich prima voor rijdende actiefoto’s; rustig met mooie overzichtelijke rechte stukken en vloeiende bochten.


ook


Na een dik uur genieten, stoppen we bij een grote rots aan de rechterkant van de weg. Het is weer tijd voor een sjekkie op een geinig plekkie. Zo’n anderhalf uur hangen we wat rond de rots, ’n beetje klimmen, luieren en stenen gooien, wat een rust. Eigenlijk baal ik er wel een beetje van dat we straks weer op een camping moeten gaan zitten, met allemaal mensen enzo. Het is hier zo rustig, eerlijk en schoon, ik kan hier wel jaren blijven zitten.

Tegen vijven rijden we het stadje Sortland in. Volgens de berichten, en Annie, zou er ergens halverwege nog een camping moeten zijn; jammer maar helaas. Dus dan maar doorrijden tot hier.

Annie leidt ons snel naar een camping die gerund wordt door een misselijke arrogante kakvent van een jaar of zestig. Zijn buik steekt een halve meter voor de rest uit, urghl. We mogen zo maar ergens een plekje uitzoeken voor de tenten. Het enige, iets vlakke stuk is echter op een gravelpad, merde. Met moeite rammen we de haringen in de steenachtige hobbelige ondergrond. En dan moet je er nog voor betalen ook. De camping van Sortland sucks!


k*tcamping in Sortland


Vanavond gaan we weer eens echt ergens eten, zonder benzinelucht. Op de camping kunnen we volgens de eigenaar niets krijgen, sneu. We stoppen bij het eerste beste restaurant. De menukaart is werelds, letterlijk. We kunnen kiezen uit Mexicaans, Grieks, Turks, Spaans en Italiaans, “mwah, doe maar Italiaans deze keer”. We nemen allebei een heerlijk groot glas bier, garlic bread en spaghetti carbonara, heerlijk.

Het is nog lekker warm in het zonnetje, maar al snel zakt hij achter de huizen. Een patserige grijze BMW cabrio rijdt wel tien keer langs het restaurant. Achter het stuur zit een schone Noorse, haar vriend zit naast haar. We zitten kennelijk langs de flaneerboulevard van het oh zo lullige plaatsje Sortland. Blijkbaar is hier niet zo veel te doen want nu we er op letten zien we steeds weer dezelfde auto’s door de straat rijden, tjonge wat een feest. Na het eten rijden we weer terug naar de camping. We gaan nog even in de gezamenlijke woonkamer tv kijken, raar taaltje dat Noors. Een ouder echtpaar zit aan een tafeltje te wachten. De volvette eigenaar brengt twee gigantische hamburgers. Ik dacht dat we hier niets konden krijgen, achterbakse vetprop. Luid smakkend worstelt de vrouw zich door de plak gemalen rundvlees. Het meest ergerlijke is wel dat ze onder het eten continu zit te kletsen tegen haar zwijgzame man, arme vent.

Nina belt. De hele middag is ze bezig geweest om een hardnekkig stuk van de schoorsteenmantel weg te hakken. Haar (heerlijke) armen branden nog steeds. Mijn vriendin de bouwvakker. Als ik weer thuis ben mag ik het afmaken. Ik mis haar.

We schrijven nog wat in het dagboek en drinken de laatste slok whiskey, op.

Ik ga slapen, ik ben moe, ‘k doe m’n beide oogjes toe,………

Doe.


Vr 22 juni 2007

Vandaag willen we naar Ǻ. Dit kleine vissersplaatsje ligt helemaal op het uiterste zuidpuntje van de Lofoten. Dit belooft een machtige rit te worden, en voorwaar!

Eerst maar even tanken en eten in Sortland. Nadat ik mijn fiets heb afgesteld loopt hij ineens 1:18,5 in plaats van 1:14, prima.

We nemen de nieuwe weg via Strand en Austpollen naar het oosten. Ik had ergens gelezen dat deze in mei 2007 klaar zou zijn. We rijden door prachtige dalen langs schitterende bergen. Bij een maf bonsai meertje stoppen we even om op de kaart te kijken. Het meertje is eigenlijk meer een grote vijver met op een eilandje schitterende miniatuur sparren staan, prachtig. Dit zou prima in een Japanse tuin passen.

Een snelle bandencheck laat zien dat mijn Metzelertje al flink slijt. Dit is nu ‘dual compound’, een harder middenstuk ten opzichte van de ‘wangen’. Tjonge, dat werkt prima zeg, maar niet heus. Blijkbaar heeft Pieter een betere bandenkeus gemaakt.


Metzeler Bridgestone


Het blijkt dat we veel te ver zijn doorgereden. Kennelijk hebben we de afslag naar de nieuwe weg gemist. Dat wordt weer terugrijden, een andere route is geen optie. Na een klein uurtje rijden zijn we weer terug in Sortland. We moeten toch de veerboot nemen van Melbu op de Vesterålen naar Fiskebøl op de Lofoten, ‘tis nait aans.


de Hadselfjorden


Als we bij de haven van Melbu aankomen zetten we de fietsen naast een glimmende Honda Goldwing met ‘ne stoere biker. Met een voet nonchalant op de buddy zit hij relaxed op zijn fiets te luisteren naar zijn telefoon. Ik hoor de Red Hot Chili Peppers. Ha tof. Maar snel kiest de bikker een andere zender op zijn telefoon. De man zoekt naar……… Michael Jackson hihi… Het metaalachtige geluid klinkt net zo vervelend als een te luide walkman in de trein. Pas als we bijna op de Lofoten zijn is z’n batterij eindelijk leeg.


haventje’ van Fiskebøl


De overtocht duurt een dik half uur. In Fiskebøl eerst maar een paaltje zoeken, “paaaaaaltje”.

De rit over de Lofoten is in een woord waanzinnig. Naast de ooooohs en aaaaahs is nu oempf ook een zeer toepasselijke uitdrukking.


de Lofoten


We zijn nog nooit zo vaak gestopt onderweg. Hoe verder we naar het zuiden rijden, hoe mooier het wordt. Zo’n twintig minuten na Grønstad (Noors voor Groningen, denk ik) stoppen we aan een baai. Een waar rustpunt tussen de bloemen, mmmm. Het loopt al aardig tegen zessen en we moeten waarschijnlijk nog zo’n 2 ½ uur rijden voordat we in Ǻ aankomen; opstappen dus.

Onderweg stoppen we bovenop een soort bergpas tussen twee fjorden. Een kriebelig wandelpaadje slingert naar boven. Wat een schitterend uitzicht. De beide schapen die me boven verbaasd aankijken hebben er waarschijnlijk geen benul van hoe mooi het hier is, domme beesten.

We rijden weer verder tot Hamnøy. Het is al acht uur en de trek trekt ons naar een klein pittoresk restaurantje aan de haven.

In het dorpje staan allemaal grote houten stellages met duizenden stokvissen.


stokvis in Hamnøy


Stokvis is dooie kabeljauw. Ontdaan van kop en ingewanden wordt de vis aan stokken opgehangen, vandaar “stokvis”. Doordat de huid van de vis waterdicht is, droogt de vis zelfs als het regent. Na ongeveer drie maanden in de schone droge poollucht wordt de vis zo hard als tuigleer. Omdat er nog maar zo’n 20% vocht in de vis blijft, is de vis welhaast een jaar houdbaar. De Vikingen, zo’n duizend jaar geleden, maakten ook al stokvis. Tijdens hun lange ontdekkingsreizen zorgden ze ervoor dat zelfs in Canada al stokvis werd bereid, hoezo Columbus de eerste, ha, Portugese flapdrol.


Reine en Hamnøy (foto van Internet)


De menukaart van het authentieke restaurant wordt ontsierd door gerechten met walvisvlees. Alleen vanwege het feit dat dit de enige eetgelegenheid in de omgeving is, besluiten we toch maar te blijven zitten. De Noren nemen het niet zo nauw met de walvisvangst, de eikels. Pieter en ik bestellen allebei fishcakes met aardappelen en worteltjes. Mét een kan water. Honger maakt rauwe bonen zoet.

Voldaan rijden we verder naar Ǻ. Hier moet volgens de reisgids van Lonely Planet een schitterende camping zijn. Onderweg komen we langs Reine, een prachtig vissersplaatsje, verdeeld over een paar eilandjes aan de oostkust van de Lofoten.


Reine


In de zeventiger jaren werd Reine verkozen als mooiste plaats van Noorwegen.


Reine


Het feeërieke dorpje met z’n markante rode houten huisjes spiegelt zich naadloos in het kristalheldere en spiegelgladde water van het haventje. De lage avondzon en de fraaie wolken maken het plaatje compleet. Dit is ongelooflijk, zo mooi. Dit soort plaatjes kom je alleen maar tegen in luxe toeristenglossy’s voor de beter gesitueerden onder ons.

Reine


En nu staan wij hier, met z’n tweetjes op onze ouwe trouwe fietsjes, wow. We hebben ontzettend veel mazzel met dit prachtige weer en nemen dan ook alle tijd om de meest prachtige plaatjes te schieten.


dreigende luchtaanval


Tegen tienen rijden we Ǻ binnen. Het is even zoeken naar de sjemping, maar toch weten we het redelijk snel te vinden. We rijden een parkeerplaatsje op met aan de zijkant een laag houten gebouwtje, de receptie. Gelukkig hebben ze nog twee tentplaatsjes vrij. De fietsen moeten we echter beneden laten staan, boven mag je alleen maar parkeren als je een hutje hebt gehuurd. Met de gratie God’s mogen we wel even tot het eerste niveau rijden om de motoren af te laden, tjonge! En dat valt nog niet mee. Er loopt vanaf de parkeerplaats een steil pad met losse stenen naar het tweede parkeerplaatsje. ‘Gang’ is alles en slippend en stuiterend weten we de tweewielers heelhuids boven te krijgen. Vervelend rijden zo, als het voorwiel meer in de lucht lijkt te hangen dan op het pad.

In een hoekje staat een oud Puch’je onder een oranje dekzeil. We zetten onze fietsen ernaast en gaan eerst even op zoek naar een mooi tentplekje. Daarvoor moeten we nog zo’n tien meer omhoog klimmen, maar dan heb je ook wat. Tussen de gladgeschuurde rotsen staan een aantal donkerrode huisjes (rorbuer) met daartussen prachtige grasveldjes waar je de tent kunt opzetten. We zitten hier op een plateau, strak aan de rotsige oostkust, zo’n twintig meter boven de zee. Het uitzicht is prachtig, in de verte zien we, op een kleine 90 kilometer, de ruwe fjordenkust van de vaste wal.


mijn tentje in Å


Ik heb al twee mooie plekjes gereserveerd en snel halen we de spullen van de motoren. We laten de beide fietsen gewoon naast het Puch’je staan; hier staan ze niemand in de weg en ze moeten ook niet zeuren, die rare walviskillers. Het is best een hele toer om alle bagage naar de tenten te krijgen. Naast ons staan een paar hele stoere trekkerstentjes voor gevorderden, zo van: minimale windkracht 9 ½ Bft bij -15 C°. Onze luxe reisverblijven staan in no time te pronken tussen de gevlekte orchissen. De veenbodem is heerlijk zacht en verend, je hebt haast geen slaapmatje nodig. Dat wordt straks lekker knorren.

Vlakbij onze tenten is een prachtige gladde rots met een kek uitzicht. Hier gaan we ons maar eens lekker installeren voor de rest van de avond/nacht. De whiskey is helaas op, dus moeten we maar aan de gin-tonic, wat een straf. Het stikt hier van de B52-muggen, joekels. Gelukkig werkt de DEET prima, dus is het alleen maar een beetje vervelend.


schitterend uitzicht naar de vaste wal


Als we een tijdje zitten komt een jongen op ons toegelopen. Het is onze buurman, qua tent én qua fiets. Deze Zwitser kan wel een broertje zijn van Michiel Kars; in z’n hele doen en laten. Hij is helemaal vanuit Zwitserland, vlakbij Liechtenstein, op zijn oude Puch’je tot hier gereden. Trots vertelt hij dat hij soms wel 150 km op een dag afgelegd heeft, en dat met maar twee versnellingen en verstoken van alle luxe, wat een bikkel.


een Puchje en twee BMW’s


Tot een uur of een blijven we gezellig zitten kletsen. Het wordt tijd om te gaan slapen, pfffff. Wéér mislukt want eerst gaan we nog even een klein wandelingetje maken naar het eind van het klif waar we op staan. De hele camping bevindt zich op een redelijk vlakke, lage klif met tussen de rotsen schitterende kampeerplekjes met mals gras. Aan het einde van de camping gaan we nog even zitten. Het is hier heerlijk. Dit is pas echt terug naar de natuur, mét gin-tonic en sjek natuurlijk. Dit valt eigenlijk met geen pen te beschrijven; met open mond zitten we alles in ons op te nemen. Tegen tweeën begint het zachtjes te regenen. We lopen terug naar de tent, lekker slaap’n.

Slaap fijn.


Za 23 juni 2007

Voor de zoveelste keer gaan mijn oogjes open. Het is al half twaalf. We hebben gisteravond al besloten dat we gewoon nog een dagje langer in dit prachtige paradijsje blijven. Het is hier zo heerlijk en we willen vanavond de hele avond, van alle gemakken voorzien, ons heerlijk installeren op dat fenomenale plekje van afgelopen vannacht. Liefst zonder de vriendelijke Zwitser.

We ontbijten in de haven van Moskenes bij een lunchroom. Twee behoorlijk aantrekkelijke meiskes nemen de bestelling op. De eigenaar komt lachend te hulp. Speciaal voor ons maakt hij een pracht van een maaltijd, met alles erop en eraan, heerlijk.

Vandaag willen we naar Sund, zo’n tien kilometer rijden. Hier moet een mooi scheepsmotor-museum zijn met draaiende motoren, klasse.

Wanneer we de parkeerplaats oprijden horen we al een paar traag dreunende motoren; je kunt de slagen tellen. Dit klinkt bijna net zo mooi als mijn fiets, bijna! In een oude smidse is een jonge smid druk bezig met een aalscholver van een oud stuk betonstaal te maken. In de schemerige smidse staan een paar oude smeedhamers. Met een druk op de knop komt een van de machines met een donderend geweld tot leven. Met een roestige lastang houdt de smid het stuk roodgloeiend staal onder de dreunende hamer. Wat een herrie. Al snel begint de staaf de vorm van een aalscholver te krijgen, geweldig.


dit wordt een aalscholver


Tijdens het werk praat de vriendelijke man honderduit. Pieter koopt een schitterend beeldje voor thuis. In het museum liggen ook nog een paar artefacts van de Tirpitz; een Duits slagschip dat in 1944 door Engelse vliegtuigen naar de kelder werd gejaagd. 1200 Mensen kwamen hierbij om het leven, wat een waanzin!

Op de een of andere manier heeft het museum beslag kunnen leggen op een stuk ankerketting en een grote stalen kogel van het kogellager onder een van de geschutskoepels van de Tirpitz. Waarschijnlijk zijn deze delen opgeschept door de sleepnetten van een vissersboot.

Even ten noorden van Sund hebben we een schitterende weg gezien over verschillende eilandjes. De eilandjes worden door slanke boogbruggen met elkaar verbonden. Op Internet heb ik al een aantal schitterende foto’s gevonden, maar die waren allemaal van boven genomen. En wij rijden hier beneden. We rijden over de bruggen naar de andere kant en hopen vanaf daar naar boven te rijden. Jammer maar helaas, dat wordt wandelen, en dat vinden wij nu even niet fijn, dus dan maar niet. We zijn tenslotte met de motor op reis en niet met wandelschoenen, ja!

Eigenlijk komt dit wel goed uit want we moeten nog een grote boodschap doen voor de avond én het ontbijt. In de Reiner-super kopen we broodjes, kaas, ham, chocolademelk, echte Lofotense garnalen en bier, heuse Guinness, jaja. Alle schootbapjes worden in mijn mooie rooie Viking Line rugzak gestouwd en half steigerend rijden we even naar het ‘centrum’ van Reine. Op een pleintje vinden we een soort snackbar en een viskraam. Aangezien we vanmorgen/-middag fors ontbeten hebben met eieren, worst, aardappelen, brood en bergen sla, hoeven we eigenlijk alleen maar aan het avondeten te denken. De boodschapjes zijn voor straks, in het paradijsje. Bij de viszaak kopen we een overheerlijk broodje vers gerookte zalm, en bij de snacker een broodje worst. Je moet tenslotte blijven proberen om alles in balans te houden: bier en chocolademelk, vleesch en visch, niet wandelen en motorrijden, alles mooi in balans, Yin en Yang.

Wanneer we weer terug rijden beseffen we hoe veel mazzel we gehad hebben met het weer van gisteren. Het is nu dichtbewolkt en winderig. De mooie spiegelplaatjes over de haven zijn er niet meer; het water is te gerimpeld en het licht is grijs. Jammer voor de buslading toeristen die op het parkeerplaatsje zijn neergestreken.

Tegen zevenen zijn we weer terug bij de camping. De ontbijtspulletjes leg ik in de tent en de avondgeneugtes gaan weer in de tas. Bepakt en bezakt lopen we weer naar de zuidrand van de camping.


urenlang genieten


Een paar meter onder de rand vinden we een mooie brede richel waar we heerlijk kunnen zitten. Met mijn heerlijke motorzitje onder de bippen is het prima toeven. Zo, en nu maar heel hard genieten. Dit kon wel eens het mooiste plekje op aarde zijn; vijfentwintig meter boven een honderden meters diepe fjord. Kleine stormmeeuwtjes vliegen af en aan. Eentje komt heel dicht bij m’n voeten zitten, wellicht ietwat levensmoe.


stormmeeuwtje naast m’n voetje


We hebben ze meer dan zat te voeren: verse garnalen, tijgernootjes, cashewnoten en stukjes vieze worst van ‘original Norwegian kjøt’, varkensvlees dus. Het is geven en nemen, dus weg met die ingedarmde bagger. De meeuwtjes gaan ervoor, zij nemen het wel.

Na een paar laatste uren genieten, moeten we met pijn in ons hart afscheid nemen van de laatste slok gin. Het is op. Drie liter gebotteld genot……, weg……, gewoon ordinair uitgeplast. Ik schrijf een brief in het Engels voor in de lege fles. (Milieukritisch stuitert dit ons wat tegen de borst, maar een enkele keer mag je toch wel een beetje ondeugend zijn). “Dat de gelukkige vinder zich maar net zo gelukkig mag voelen, als wij hier op de Lofoten in het wondermooie Ǻ.” Ik schrijf heel kort iets over onze reis en na nog een allerlaatste druppel, gaat de brief in de fles. Met een wijde boog gooi ik de fles zo ver mogelijk in de zee. Je weet maar nooit, het is net een loterij.

Helaas kunnen we niet naar de Moskenesstraumen die in de Lonely Planet staat beschreven. Deze bevindt zich, niet zoals het boek beweert, vlak achter de camping, maar op zo’n acht kilometer verder naar het zuiden.


Moskenesstraumen (waar Pieter heen kijkt)


Deze maalstroom schijnt een van de grootste en meest gevaarlijke maalstromen ter wereld te zijn. Jules Verne heeft een deel van zijn boek ‘100.000 mijl watertrappelen’ gebaseerd op deze stroomversnelling. Meer dan 2000 jaar geleden schreef de Griekse wijsgeer Pytheas al over deze maalstroom. Ook Edgar Allen Poe heeft deze zee-engte in een van zijn boeken beschreven. En nu ik ook dus, ha. Eigenlijk kan ik me nu dus scharen onder de grote schrijvers en wijsgeren op deze aardkloot.

Omdat we morgen toch echt de boot moeten hebben naar de vaste wal, kunnen we het niet zo heel erg laat maken. Tegen enen begint het licht te regenen, een mooie tijd om ter sponde te gaan. Het zou helemaal mooi zijn als ik nu ook nog kan slapen.

Welterusten.


Zo 24 juni 2007

s Nachts word ik zo nu en dan nog even wakker van de regen. Het regent gelukkig niet zo hard, maar het maakt wel veel lawaai. Kwart voor acht word ik echt wakker. Ik begin maar vast met inpakken. Over een kwartiertje gaat mijn wekker. Ik krijg opeens erg veel drang om grote bah te doen. Hup, kleertjes weer aan en naar beneden klauteren.

Terwijl ik lekker zit op de veel te koude bril, hoor ik de deur opengaan. Luid stommelend hoor ik iemand binnen komen. Wat een gezucht en gesteun. Niets weerhoudt mij nu nog om lekker ongegeneerd te hompen, ik hoef nu beslist niet zachtjes te doen, ha. Als ik de wasruimte instap zie ik een grote, veel te zware mongoloïde jongen van een jaar of twintig in een lange geruite boxershort staan. Hij kijkt me door zijn dikke brillenglazen verrast aan. Een streepje tandpasta loopt uit zijn mondhoek. “Heihei” groet ik de jongen en hij mompelt wat met volle mond terug. Wat een prachtig beeld.

Ik schuifel achter hem langs. Mijn tanden ga ik wel even in de keuken poetsen, want hier is maar één wastafel. In de keuken zit een Belgisch stel te ontbijten. Echte out-door bikkels; lang, slank met een getaande bruine huid. De vrouw heeft kort zwart haar en een zeer pezig figuur. De man net zo kortgeknipt, met een stoere Marlboro baard en een nét iets te modieuze Jamaï-bril. Ik herken ze omdat ze naast ons hun uiterst sportieve trekkerstentje hebben staan, al lijkt het meer op een boterhamzakje. Het meest vreemde is wel dat ze met hun tweetjes maar één fiets hebben. Achter de fiets hebben ze een klein soort paardenkarretje, zo eentje waar de Romeinse gladiatoren op reden. Ik denk dat de vrouw dan voorop zit, en de man achter in het karretje staat met een zweep van carbon ofzo. “Alors vrouwe, pedaleren met die beentjes zunne. Rapper…., nóg rapper, anders zijn de patatten gaar”. Sneu.

Als ik weer naar buiten loop hoor ik de jongen uit de wasruimte zijn vader roepen, met die typische tongval, heerlijk. De vader blijkt de timmerman te zijn die aan een uitbouwtje van ‘n rorbuer werkt, zelfs nu, op zondag. Terwijl ik de berg oploop kijk ik nog even achterom. Beneden zie ik de te dikke jongen over de parkeerplaats rennen, de tandpasta nog steeds op zijn kin. Ik vind dit echt heerlijk om te zien.

Snel pakken we de hele boel bij elkaar en staan om kwart voor tien kant en klaar, lekker vooraan in de rij voor de veerboot. Het is altijd een beetje oppassen als je met natte banden een veerboot oprijdt. Het dek kan verraderlijk glad zijn, voor ons natuurlijk een eitje, ha. Een oudere Duitser vertelt me dat ik de motor schuin moet zetten. “Nein” zeg ik. “Die Matrosen aber haben gesagt das alle Motorräder……”, begint hij weer. “Nein!, zeg ik. “Mpffff….” is zijn laatste commentaar. Waar bemoeien ze zich verdorie mee, stelletje gedogmatiseerde puriteinen, bah.

We trekken de fietsen met een paar sjorbanden vast tegen de wand, klaar.

Als we naar boven lopen zit de bemoeizuchtige man nog steeds met zijn RS te kloten, doekjes tussen de spanbanden en motor en meer van dat pietluttig gezeur. Je zou je toch haast gaan schamen dat je zelf ook een BMW hebt.


veerboot Moskenes - Bodø


Bovenop het dek staan een paar witte tuinstoelen waar we de hele vier uur durende tocht zullen blijven zitten, denk ik. Nu komt het ontbijt van pas dat we gistermiddag hebben gekocht, heerlijk. Alleen de zachtgekookte eitjes missen nog. Voorzichtig probeert de zon door de bewokkeling te breken. Langzaam zien we de Lofoten kleiner en kleiner worden. Weer een grote etappe afgelopen, merde. We zijn nu echt op de terugweg, merde.


waanzinnig mooie Lofoten


Na een half uurtje varen zien we in de verte steeds weer zwarte halfronde schaduwen omhoog komen uit het water, vloeiend duiken de schaduwen weer onder. “Te klein voor walvissen en weer te groot voor dolfijnen. “Orka’s”. Verbluft blijven we kijken totdat ze verdwijnen. Even later zien we er nog een paar op zo’n 200 meter van de boot, waanzinnig, geweldig! “Wolven van de zee” zegt Pieter.

We blijven de hele verdere tocht turen naar walvissen maar helaas. Wel loopt er een hoogst irritante opdringerige vrouw om ons heen. “Do you speak English”, vraagt ze. “Nee hoor, alleen gewoon Nederlands”. ‘Krijgen we vervolgens een heel referaat, in het Nederlands, te horen hoe ziek ze wel niet geweest is, en dat ze zonder het te beseffen in haar eigen pantoffels had geplast. “NEE…, DIT WIL IK NIET”. Ze blijft maar lullen en zeuren over een paar Spaanse reizigers die kennelijk de weg in Noorwegen niet kennen enzovoorts, enzovoorts. Ik zeg dat Pieter wel een paar woordjes Spaans spreekt. Stom van me, zal later blijken. Gelukkig loopt het mens weer verder. Ik voel weer een opmerkelijke behoefte aan slaapjes doen opkomen en weldra zijn mijn oogjes gesloten. Plotseling weer die enge felle snerpstem; “zijn ze al geweest?” Ik stuiter half uit m’n stoel, “wie?”. “Nou, die Spanjaarden. Ik heb ze gezegd dat ze maar even naar jullie moeten lopen omdat hij Spaans spreekt”. Ze kijkt naar Pieter. Wat een kutwijf, zeg. “Kijk” zegt ze, “lusten jullie misschien een dropje? Dat hebben jullie vast lang niet meer gehad, zeker”. “Nee dank je, ik snoep niet meer”. Ik begin me ál meer aan het opdringerige nest te ergeren. Wanneer ze wéér over de Spanjaarden begint, pak ik m’n stoel demonstratief op en ga een paar meter verder zitten. “Sorry hoor”, zeg ik tegen haar. “hier heb ik geen zin in. Ik ga niet mijn vakantie besteden aan mensen die zonodig ergens naar toe gestuurd worden, terwijl ze dat helemaal niet willen”. Dit bleek al eerder; de Spaanse toeristen waren eigenlijk alleen maar geïnteresseerd in de omgeving van Bodø. Ze hoefden helemaal niet naar de Saltstraumen. Wat een kutwijf!

Wanneer ik een paar meter verderop zit, hoor ik haar tegen Pieter kwetteren. Haar man heeft medicijnen en die wil hij niet innemen. Hij heeft nu speekselstenen……., én kanker. De man naast haar zit een beetje verveeld in de verte te staren. “Schiet op vent. Doe wat. Zeg wat. Stap in je Kipcaravanetje met hemelblauwe accubak en rij verder dan de Noordkaap, gaat weg! Mep haar de plomp in!”. Niet echt natuurlijk, ze mag ook met haar jarretel aan een of ander patrijspoortje blijven hangen. Wat een kutwijf.

Helaas zien we geen walvissen meer of iets dergelijks. We lopen de havenstad Bodø binnen. Eerst het rituele sjekkie aan de haven, “paaaaaltje”. Dan tanken.

De motor loopt heerlijk zuinig. Ik let erop dat ik in de bergen wat meer gebruik maak van het hoge koppel en wat minder hoog in de toeren rij. Ze vindt het heerlijk; met een diepe brom komt ze soepeltjes op snelheid, mmmmm. Het hele haventerrein ruikt sterk naar hyacinten, maf. Eigenlijk verwacht je gewoon dat een haven naar haven ruikt, niet naar bloemetjes.

Vandaag rijden we tot aan de Saltstraumen, of een camping vlakbij. In de ‘achtertuin’ van een paar rorbuer mogen we de tentjes opzetten, prima plekje, lekker vlak.


proper plekje


Het is hier wel vreselijk netjes, mooie strakke grasveldjes achter een kek hekje, ieeeuuuw. Een hele verandering ten opzichte van gisteren. Geef mij maar de ruige camping in Ǻ.

De tentjes staan er weer pico bij als we weer op de motor stappen om bij het Saltstraumen-informatiecentrum wat te gaan drinken. Heerlijke broodjes met lachende garnaaltjes roepen mij toe, ok.

We rijden weer naar Bodø terug. Volgens de Lonely Planet heeft deze havenstad de grootste kolonie zeearenden ter wereld. Boven op een heuvel aan de rand van de stad is een immens infocentrum gebouwd, waarschijnlijk speciaal voor deze majestueuze vogels. Helaas is alles nog gesloten. Dus gaan we maar op een bankje zitten, met een schitterend uitzicht over de stad. Het is prachtig weer.


Bodø


De enige vogels die we zien zijn een paar meeuwen en wat vliegtuigen. Van de arenden ontbreekt elk spoor. Tssss.

Maar weer terug naar de stad. Ik moet nog een nieuwe achterband hebben. Volgens Annie zit motorzaak ‘Helala’ het dichtst in de buurt. Eigenlijk is het meer een supermarkt voor het buitenleven dan een motorzaak. Niet zo raar dus dat ze mijn maatje achterband niet hebben, ok.

Oeps, trek. Bij een Chinees restaurant nemen we de nassi. Het is een echte oer-Hollandse Chinees, echter zonder muziek. En dat is best wel maf. Het eten is gewoon lekker, niets speciaals.

Het wordt tijd om naar de Saltstraumen te gaan. Volgens de Bodøër Almanak komt spoedig de vloed op, en dat geeft het mooiste resultaat qua draaikolken enzo.

We rijden naar een parkeerplaatsje aan de rand van het water. Een hele kudde vissers staat naast elkaar zoveel mogelijk vissen uit het water te hengelen. Sommige trekken bij elke worp wel eentje uit het kolkende water, het meeste sei (koolvis). We raken aan de praat met een Noorse leraar. Hij is samen met z’n zoon speciaal hier naar toe gereisd om te vissen. Bijna alle vissen die hij vangt worden voorzichtig weer terug in het water gezet. Sommige mensen hebben gelukkig nog respect voor dieren. Anders is zijn buurman. Deze man gooit z’n haak wel zestig meter de kolkende maalstroom in. De vissen die hij vangt knijpt hij gewoon dood, wow, wat een held. Sommige vissen die in doodsangst uit de emmer springen worden achteloos platgetrapt, wat een held. Ruw wordt de vis in een emmer gesmeten, sommige leven nog steeds, wat een held.

Onze’ visser vindt dit maar vreselijk. Zelfs de walvisvangst van zijn landgenoten vindt hij verschrikkelijk, toppie. Na een zwierige worp haalt hij snel zijn haak binnen. Er hangt weer een grote koolvis aan. “This will be a lovely filet”, zegt hij. Met een staaf mept hij de vis in één klap naar het hiernamaals. Vaardig wordt het dier volledig gefileerd. “Would you like some fish” vraagt hij terwijl Pieter zijn hengel vasthoudt. Jaaaa, Pieter, onze maritiem bioloog, oooooh. “Uh, no thanks. Unfortunatly we can’t cook the fish properly, but thank you very much for the offer”. Pieter is een dierenbeul, een fisherlover, dûh.


fisherlover,



nature lover


Vlak bij de camping is een grote ‘Joker’ supermarkt die gelukkig nog steeds open is. Eigenlijk ben ik zwaar tegen de 24 uurs economie, en dus ook tegen winkelen op zondag. Je mag eens in de week toch wel een dag hebben dat je géén bedrijvigheid hoort en ziet, gewoon een dag rust. Even weer met beide benen in de wereld door wat tijd te nemen om eens te mijmeren over alles en nogwat. Zondag moet een ‘bewustzijn dag’ worden, lijkt me.

Nu komt het ons echter best wel een beetje goed uit; we zijn tenslotte bijna door het bier heen en dat is best sneu. Een beetje verborgen achter een slordig gedrapeerde ‘Coca Cola-vlag’ schemert een goedgevulde koelvitrine. Allemaal bier, mwah. We pakken vier blikjes en lopen met onze vangst naar de kassa. “Sorry, no beer on Sunday” zegt de caissière met een duidelijke bestraffende ondertoon. Pieter en ik barsten beide in lachen uit. “And if we stay here ‘till midnight, than it’s allowed off course?”, vraagt Pieter. “Then we are closed”. “This is Norway” zegt een lachende vrouw in de rij achter ons. Gelukkig hebben we bij de tent nog een paar blikjes. Haast gefrustreerd over al dit soort belachelijke regels hier in Noorwegen rijden we weer de camping op.

De motorzitjes gaan op het gras. Lekker zitten, kletsen en schrijven.


camping Saltstraumen


Nina zit nu, samen met Niels, Klasina en een paar vrienden van Niels bij een concert van de Red Hot Chili Peppers in Arnhem, vet. Ze heeft me al verscheidende keren gebeld om mij te laten meeluisteren, live, tof. Sta je in de volle zon, boven in Noorwegen naar een live concert van de Chilies te luisteren, helemaal in Arnhem, wow. Zo te horen hebben ze veel plezier daar.

Pieter ligt al in de tent, het is ook al laat. Ik blijf nog even schrijven. We hebben een paar dikke ronde balken neergelegd waar we op kunnen zitten. Pieter wil een complete tuinbank/-tafel versjouwen, die pontificaal midden op de camping staat. Volgens mij hoort deze inderdaad op het middenveld en niet hier. Pieter mag hem zelluf verslepen, maar dat durft/kan hij vast niet, ha. Ik moet echter wel zeggen dat de houten balk nu ook niet zo lekker zit, zal ik hem dan toch maar even meehelpen? Nee, het wordt tijd om te gaan slaapjes doen. Eerst lekker douchen, met wel vier verschillende zeepjes en shampoo, zelfs haarconditioner. Spik en span duik ik m’n tentje in.

Hmmmmpffff, ‘truste.

Tegen drieën schrik ik wakker van een sms-je, de felle nachtzon prikt haast door het tentdoek: ‘Thuis xxx W N’. Gelukkig, wel erg laat, maar ze zijn toch gezond weer thuis.

Slaap lekker lieverds. Ik glijd weg in een diepe tuk.


Ma 25 juni 2007

Om half tien staan we beide naast de tent, heerlijk geslapen. Lekker ontbijten in het tankstation en dan op naar Bodø voor een nieuwe achterband. Ik heb, na zo’n 4600 kilometer, nog maar één millimeter profiel. Lekker hoor; gooi je, daags voor deze reis, d’r twee nieuwe banden onder, zijn ze nu al versleten. Metzeler: my arse!

Twee echte motorzaken in Bodø kunnen me helaas niet helpen, zelfs een echte BMW-zaak. Ik kan ze wel bestellen, maar dan duurt het zo’n drie dagen tot ik weer nieuw schoeisel heb, kutjebibber. Bij een grote autozaak hebben ze wél een band, een voorband! Merde. Hier in het noorden rijden kennelijk alleen maar grote zware fietsen rond met grote brede banden. Vandaar dat mijn maat achterband hier slechts alleen maar in voorbanden bestaat, cultuurbarbaren, ofzo. Mijn fiets wordt getooid met een Bridgestone EXEDRA G 525. De letters staan in belachelijk hoog basreliëf op de zijwangen. Ik weet het nog niet, wat moet ik doen. De hele verdere bochtige rit over de Kystriksveien met twee voorbanden zint me niet zo. Het alternatief is echter minimaal drie dagen rondhangen in Bodø. Ook niet alles. Ik kies voor de eerste optie.


sneu


Al met al moeten we een paar uur wachten tot mijn fiets klaar is. Helaas hebben ze niet de juiste spanbussen voor mijn wiellagers, dus het achterwiel kan niet worden uitgebalanceerd. Daarnaast probeert de monteur ook nog mijn mooi roestvaststalen ventieldopje te scoren. “NO, MINE”.

Aan het eind van de middag rijden we weer voorzichtig terug naar de camping. Bij de roemruchte ‘Joker’ kopen we de spullen voor het diner. ‘Heel-erg-snel-klaar-noodles-met kruidenolie’, verse paprika, verse courgettes en vier geprakte hamburgers. ‘Kook de mie in een ruime pan water in twee minuten gaar, voeg de in kleine stukjes gesneden paprika etc, etc. etc’. We donderen gewoon de hele zooi bij elkaar en bakken het op. Ook lekker, en lekker makkelijk, ha. Eigenlijk is het gewoon een bak bagger met een onbestendige smaak, gelukkig is een onbestendige smaak ook een smaak, en dat scheelt weer, toch?

Na deze dis moeten we afwassen. Helaas hebben we volstrekt geen afwasmiddel bij ons, maar zand doet wonderen, gewoon lekker schuren en weer uitspoelen, klaar.

We schrijven nog een paar regeltjes en lopen dan weer naar de Saltstraumen. We willen nu het geweld van boven zien. Er wacht ons een wandeling van wel twee kilometer. Boven op de hoge, maar slanke boogbrug hebben we een machtig uitzicht over de zee-engte.


Saltstraumen


Het is vloed, dus het water perst zich door de nauwte naar binnen, wat een geweld. Door alle draaikolken krijgt Pieter een onbeheersbare behoefte om ook deze brug in de urinale analen bij te schrijven. Hij loopt, zonder iets te zeggen een stukje door en gaat quasi-nonchalant met z’n buik tegen de reling staan. Goh...., wat valt dit helemaal niet op zeg. Vooral niet op de wijze waarop hij ietwat schichtig heen en weer staat te kijken. Diep beneden hem vliegt, geheel onwetend een grote meeuw voorbij. Het is dat het dier niet kan vloeken en met z’n vingers in z’n oogjes kan wrijven. Lekker hoor, “doekje”.

Ook ik voel plots aandrang. Wederom hebben we onze genen toegevoegd aan de ruige Noorse natuur. Dit is goed zo.

Na een uurtje volop genieten van het schitterende uitzicht, en weer, lopen we terug naar de camping. Nog even flink wat ouwehoeren, schrijven, borrelen en lollen en dan, na een weldadige douche, weer heerlijk diep onder het dons. Natuurlijk wederom veel te laat.

Doe.


Di 26 juni 2007

Het grote nadeel van twee dagen op een plek blijven is wel dat ik ’n ontzettende zooi in de tent krijg, geheel onbedoeld natuurlijk. Dit overkomt me gewoon. Ik moet me gewoon door de voortent naar buiten wurmen. Natuurlijk moet deze zooi ook weer helemaal ingepakt worden, waar ik zo’n twee uur mee bezig blijk te zijn. Gelukkig is Pieter niet veel eerder klaar, dus hij kan er ook wat van.


mien tent


Vandaag nemen we de roemruchte 17, de Kystriksveien naar het zuiden. Deze route moet ronduit schitterend zijn. Een kleine 700 kilometer sturen langs de Noorse fjordenkust over prachtige bochtige wegen. Dit belooft wat. Helaas regent het steeds een beetje. Goed opletten en voorzichtig rijden, vooral met mijn nieuwe achterband. De angst om op het gladde wegdek een schuiver te maken zit er nog steeds in. Ik ben geen regenrijder. Op droog en schoon wegdek durf ik het gas wel lekker open te trekken, maar op een nat wegdek ben ik erg voorzichtig. De motor heeft veel te weinig pk’s om zonodig een beetje te driften, en als het achterwiel op het natte iets gaat glijden is het meestal al te laat, denk ik. Gelukkig heb ik deze hele reis nog geen enkel angstig moment meegemaakt. Houwen zo. Pieter is lekker al een keertje onderuit gegaan, hihi. Eigenlijk was het meer omvallen, maar toch.

Door de regen is het uitzicht een stuk minder dan wat we gewend zijn. We krijgen, mede door het geconcentreerde sturen een stuk minder van de omgeving mee, jammer.

We ontbijten na een half uurtje rijden in een verlaten tankstationnetje van ‘Best’. Dit keer alleen maar koffie met een broodje pølse, worst dus. Er is niets anders. Tanken en verder. Pieter stelt voor om wat rustiger te rijden. Een goed idee omdat we eigenlijk continu zo’n tien kilometer te hard rijden. Het lijkt wel of je in Noorwegen wordt geëxecuteerd als je hier iets stouts doet. Alles gaat hier strikt volgens de regeltjes. Of is het dat de Noren zo’n respect hebben voor de gevestigde orde, of misschien vinden ze het gewoon leuk. We weten het niet. Wat wel een feit is, is dat de mensen ontzettend behulpzaam en vriendelijk zijn, zoals het gedoe met mijn telefoonkaart in Tromsø, dit spande wel de kroon, formidabel.

De weg slingert zich langs de kust, prachtig. Halverwege rijden we langs een grote gletsjer in de verte.


eerste gletsjer


In Forøy nemen we de veerboot naar Ǻgskaret, een klein tochtje slechts maar wel eentje met de noodzakelijke peukenpauze op de steiger, “paaaaaaaltje”. Tegen vieren rijden we na de hele dag regen het haventje van Jektvik binnen. Hier moeten we de boot hebben naar Kilboghamn. Net als we de pier oprijden zien we de veerboot vertrekken, kut. Dat laatste sjekkie in Ǻgskaret hadden we nu net niet moeten nemen, kut. Gelukkig hebben we vakantie en toch niets anders te doen dan wachten. Het duurt zo’n twee uur tot de volgende boot weer gaat en een alternatief hebben we niet.


haventje’ Jektvik


Ik zet m’n helm op en ga op de stenen kademuur liggen, even een lekker welverdiend tukje in de kou. Opeens schrik ik wakker van een schelle Duitse stem. Naast me staat een oudere Duitser naar een visser te kijken. “Ja, ja…, dass ist ein. Ja…, ach nein. Ach nein, dass fehlte noch” De visser, een stoere jonge Duitser met een paardenstaart en een klein lederen tasje aan zijn broekriem, mompelt wat, pakt z’n spullen en gaat ietwat geagiteerd een stukje verderop staan. Langzaam loopt de schelle Duitser weer naar hem toe en het hele circus begint weer van voren af aan. Dit moet toch wel hoogst vervelend zijn. Zit je heerlijk aan een prachtige Noorse fjord te vissen, in alle rust. Sjokt de hele tijd een luidruchtige zeventiger achter je aan met het nodige commentaar. De visser kijkt steeds chagrijniger om zich heen als hij verwoed aan zijn molentje draait. Gebruik die hengel dan om steentjes zo ver mogelijk in het water te keilen, dat is toch veel leuker.

Nu ik toch wakker ben, loop ik naar de kiosk waar broederlief ontspannend met het plaatselijke bak- en braadmeisje zit te kwekken. We bestellen koffie met inheemse, zelfgebakken hapjes. Iets deegachtigs gevuld met gehakt en jam, heel lekker en dun. Een soort wafeltjes, maar dan heel anders.

Na twee uur wachten rijden we voorzichtig de boot op. Onze bandjes vinden het gladde stalen dek niet echt heel fijn, net sneeuw zo glad.


op de boot


Op de boot staat een gezellig Frans stel foto’s te maken. De vrouw laat, als ze lacht, een kleine drie vierkante meter aan tandvlees zien, da’s een flink stuk! Dit heb ik nog nooit eerder gezien. Langzaam stomen we de Poolcirkel weer over. Op de wal staat een groot monument wat verrassend veel op dat van de Noordkaap lijkt. Dit keer wordt het op de boot omgeroepen. Heel anders dan op de heenweg waar we haast over de Poolcirkel struikelden zonder er zelf erg in te hebben. Op de boot hangt een bord waarop staat hoe je in geval van nood de boot moet verlaten. Om ons aller veiligheid te dienen, volgen we netjes een aantal voorschriften uit. Zoals als twee hoogbejaarde pinguïns met krampachtig toegeknepen bippen achter elkaar aan hobbelen op weg naar de glijbaan, armpjes strak langs de benen, om vervolgens met je armen omhoog klaar te staan om de ontsnappingsslurf in te duiken. Dit moet toch wel een zot gezicht zijn voor de rest van de opvarenden.


veiligheidsvoorschrift volgen (zie puntje 5)


Vandaag hopen we Sandnessjøen te halen. Doch na zo’n twee uur door de regen over slechte wegen met een hele bult bochten vinden we het welletjes. Langzamerhand begint de kou een beetje door de, overigens prima Dane motorpakken heen te trekken. Bij Nesna vinden we een grote, goed verzorgde camping met pub! Tof. Vanwege de regen nemen we een hutje aan het water, klein maar fijn met schitterend uitzicht over de fjord met aan de overkant het eiland Handnesøya.


camping Nesna

Bij het Shellstation gaan we eten. En maar zeggen dat we niet aankomen. Tijdens onze reis is één hele korrel maïs al een flinke groentemaaltijd. Gewoon een kwestie van alles anders benoemen en waarderen. Culinair gezien glijden we langzaam onder het ijs.

Meer vol dan -daan rijden we weer naar de camping. We moeten ons hutje nog inrichten en nog even wat bier drinken voordat we naar de pub lopen. De pub is een grote houten Indianen tipi met rendiervellen op de banken. In het midden snort een heerlijk warm vuur. Achter de bar staan een paar gigantische tieten, met een vrouw, ongelooflijk, zo groot heb ik ze nog nooit gezien. Boven de titanische busten pronkt een aanstekelijke brede lach. Fenomenistisch, wat een vrouw!

We krijgen met moeite nog een pilsje in een dun plastieken bekertje. Een stoere jonge vent, met een kort baardje maakt wat plaats en vraagt ons om bij hem te komen zitten. De jonge Noor heet Thorre of zoiets. Thørre de Nørre. De overvriendelijke vent is helemaal vanuit het zuiden langs de kust omhoog gevaren met een kleine houten zeilboot. Hij hoopt in een aantal weken de Kaap te ronden, vet. Thorre is een milieuvriendelijke Noor. Hij schaamt zich voor de Noorse walvisangst en stelt het milieu ver boven het economische belang. Naast Thørre zit een wat oudere man. Ik dacht eerst dat ze bij elkaar horen, maar dat blijkt niet zo te zijn. Gewoon een Noorse passant. Thørre wil graag onze fietsen zien, en nodigt ons uit om naderhand bij hem te komen kijken. Graag wil hij ‘karsjk’ voor ons maken, heel speciaal zegt hij, we zijn benieuwd. Aan het eind van een lange houten pier ligt zijn schip. Een schitterend houten zeiljacht van zo’n tien meter. Helaas kunnen we niet op de boot omdat daar een paar Australiërs liggen te slapen. Deze mannen maken met een tweepersoons kajak dezelfde monstertocht als Thørre, helemaal langs de kust naar de Noordkaap. Na wat gestommel komt de Thørre de Nørre uit de boot met een klein keteltje en wat bekers. Gehurkt op de pier bereidt hij zijn brouwseltje.


Thørre de Nørre


Eigenlijk is het gewoon koffie met wodka, tjonge. Pieter en ik moeten samen een beker delen. Thorre heeft ook een stokvis mee naar boven genomen. Je moet gewoon met veel geweld een stuk vis losbreken en opkauwen, heerlijk. “Tastes like dogfood, yes”, zegt Thørre lachend. De vis is natuurlijk droog en erg taai, maar na wat sabbelen wordt deze heerlijk zacht met een heerlijke zilte smaak, super. Veel lekkerder dan de zakjes stokvis op de Lofoten.

Om de Aussies maar lekker te laten slapen lopen we weer terug naar de betonnen hoofdpier. Halverwege ligt rechts een klein lief scheepje met de onwaarschijnlijk mooie naam Nina. Hier zijn een paar grote wasbakken waar de vissers ‘hun’ vis kunnen schoonmaken. Op de bodem liggen diverse karkassen als grof vuil. Opeens zie ik onder het wier wat bewegen. Een vis kan het niet zijn want er blijft steeds een bol stukje boven het water. “Een otter” zeg ik tegen Pieter, wow, schitterend. Deze heb ik nog nooit live gezien, en nu zomaar midden in de nacht op een paar meter van ons af. Geweldig. De otter zit luid krakend en smakkend een vissenlijk te verorberen.


otter met zeepaling


Wanneer ik met m’n fototoestel wat te dicht bij kom, zwemt de otter rustig weg. Een paar meter verder gaat hij weer verder met z’n zeebanket. Daadkrachtig wordt een gigantische zeepaling verscheurd. Schitterend. We blijven nog wat kletsen en tegen vieren lopen we terug naar ons hutje, slapen.

Slaap lekker.


Wo 27 juni 2007

Om half elf worden we wakker. We moeten opschieten want de eerstvolgende boot vertrekt om elf uur. Vandaag willen we tot Namsos komen, zo’n honderd kilometer boven Trondheim. Eerst de boot naar Levang. We zijn prima op tijd en drinken in de haven van Nesna wat koffie met een broodje. Het begint weer te regenen, merde. Dat belooft weer een koude natte rit te worden.


kletspoot


Na de 25 minuten durende overtocht stappen we na het “paaaaaaaltje” weer op voor de rit naar de volgende boot van Tjøtta naar Forvik. De rit stelt niet veel voor. Door het slechte weer zijn we eigenlijk alleen maar aan het rijden.

De boot van Tjøtta naar Forvik heeft tussendoor nog twee aanlegplaatsen, een op het eilandje Mindlandet en de tweede in het plaatsje Stokka aan de vaste wal. Dit is een schitterende overtocht. Door het slechte weer doet de omgeving woest en nietsontziend aan, vooral de verlaten steiger van Mindlandet lijkt erg onherbergzaam. Vanuit Forvik moeten we weer naar de volgende boot in Anddalsvågen, deze brengt ons naar Horn. Elke keer komen we weer mensen tegen die we ook al eerder zijn tegengekomen. Maf.

Op de boot naar Horn zetten we de fietsen tegen de wand. “Mijn koplamp rookt” zegt Pieter. Uit alle naadjes en kiertjes kringelen dunne rooksliertjes. Dat duidt op een flinke sluiting, urgh. Op het stuur zit ook al een zwartgeblakerde kabel. Gelukkig is dit de kabel naar de remlichtschakelaar, niet zo erg. Pieter knipt gelijk de kabel door en verwijdert ook de geblakerde kabel in de koplamp. De motor start en alles doet het verder. Alleen de claxon, remlicht en knipperlichten ontbreken, dan maar zonder. Binnen een kwartier zijn we aan de overkant en rijdt de motor weer, topmonteur!

Na het “paaaaaaaltje” rijden we een dikke zestig kilometer naar de volgende boot in Vennesund. Op deze boot nemen we heerlijke warme chocolademelk. Wanneer we lekker in de salon zitten, wordt ik aangesproken door een jongen die ik ook al op de boot van de Lofoten naar Bodø tegengekomen ben. Een leuke vent. Hij is nu met zijn, volgens hem overactieve, vrouw op weg naar zijn schoonmoeder.

De eerste honderd kilometer is weer door de regen. De laatste twintig kilometer is weer droog en we laten de fietsen lekker plat door de bochten blèren, eindelijk. Op de langere rechte stukken bromt de motor met een trilling die bepaald niet onplezierig blijkt te zijn. Heimelijk begin ik wat te fantaseren, ik moet haast een stukje naar achter zitten. Ik moet naar huis. De drie weken beginnen hun tol te eisen.

In Namsos vinden we een mooie lommerrijke camping naast een vliegveldje. Met een winkeltje dat nog open is, ha. Er is zelfs nog bier, ha. “No no no, no beer after eight o’clock” zegt de beheerder. Het moet toch niet gekker worden. Zelfs voor een paar natuurminnende broers, in de bloei van hun leven, helemaal vanuit Nederland, 5000 kilometer gereden en dan nét een half uurtje over tijd, kut. Wat hebben die Noren toch. Wat een willoze onderdanigheid zonder het geringste eigeninitiatief, bah.

Prima, we worden gewoon gedwongen om de motor te pakken en naar het stadje Namsos te rijden. Eerst zetten we de fietsen tegen het hutje en laden de boel af.

Pieter wil nog even naar zijn knipperlicht kijken. Na een half uurtje knippen en plakken blinken de oranje blokjes weer van plezier, goed zo broer. Dat moet gevierd worden.


topmonteur


We horen Oscar al van verre roepen: “køm, køm, hårre hįbben wø øverhåårlijke Guinness vån øt våt”, tof. Uncle Oscar is een gezellige bar, midden in Namsos met een lekker ruim verwarmd terras. Op de stoelen liggen overal lekkere plaids om je nog warmer te houden, mmmmm. Het hele terras is vergeven van de mooie meiden, we kijken onze oogjes uit.

Verderop zit een groepje luidruchtig te zuipen. Een van de mannen is heel erg behoorlijk aangeschoten en dat is te horen ook, wat een populootje zeg, ieuw. Een vrouw heeft ook al puntige oogjes van de vele glaasjes. Samen voeren ze een exotisch bedoelde dans uit, zingend zwalken ze over het terras. De handjes van de Ron Brandstederachtige man voelen vrolijk in het rond, het zal z’n eigen vrouw wel zijn.

Terwijl ik me vergaap aan het natuurschoon hier in Namsos, loopt Pieter naar binnen om een heerlijk pilsje te bestellen. Even later komt hij met één glas naar buiten, ooh. Binnen wordt voor mij een heel geinig glaasje Guinness getapt. Met zorg, en dat heeft z’n tijd nodig.

Even later komt de voluptueuze oberesse naar buiten met een mooi glas diep donker geluk. De bleekgele kraag ligt als een sneeuwdekje op het goddelijke nat. Wat een gelul. Dit is gewoon lekker bier en als je een paar honderd kilometer hebt gereden, is dat best fijn.

Mijn widiwidi gaat. Nina, hoi. Saampjes hangen we, met weemoed en verlangen, een dik half uur aan de telefoon. Nina vertelt van de verbouwing, die gestaag vordert. Ze doet het toch maar even, de rots. Met onze Jos gaat het best goed, en dat is echt heel fijn om te horen. Door alle indrukken die we tijdens deze tocht opdoen, blijft er niet zo veel tijd meer over om aan thuis te denken. ’s Nachts, in mijn slaapzak, begin ik vaak te mijmeren over thuis, duizenden kilometers ver. Ideaal dat Nina mij te pas en te onpas kan bellen op mijn widiwidi, dat vereffent al gauw een heel stuk van de afstand. Niels komt ook nog even aan de telefoon. Het lijkt net of ik een andere jongen hoor, meneer krijgt de baard in de keel. Normaal zie ik hem elke dag, en dan valt het je niet zo op. Heerlijk om hem weer te horen, ’t jong. Hij gaat overmorgen op kamp, “auf Kampf”, zegt hij lachend. Helaas mag hij thuis niet de ’man des huizes’ spelen zoals hij gehoopt had. Hij krijgt zelfs maar één frikandel bij de wekelijkse patatsessie, en dat vindt hij heel sneu. En ik ook, voor hem, het ‘ach’erm’. Luid stuur ik m’n schatten een dikke smok hier uit Namsos, ik hou van jullie en ik mis jullie.

Plots staat de serveerster weer voor me. Met twee broodjes. Warme broodjes met skinke og ost (ham en kaas) en knoflook, boah dat is pas lekker. We laten ons heerlijk verwennen. Jammer dat we nog terug moeten rijden naar de camping, anders hadden we lekker kunnen uitborrelen. Nu blijft het bij slechts een pilsje. Ach, het kan verkeren.

Als we weer bij het hutje zijn, slaat ons de hitte tegemoet. We hebben de kachel op bakken en braden gezet om de motorkleren te drogen. We gaan maar beter op onze veranda zitten. Pieter nestelt zich buiten in een luxe draaifauteuil terwijl ik plaats neem op de harde planken vlonder, verschil moet er zijn.


camping Namsos


We schrijven tot diep in de nacht. Het is half vier, nú slaapjes doen.

Tot morgen.


Do 28 juni 2007

We staan laat op, want dat is beter. Snel alle spullen inpakken en op naar Uncle Oscar. Hij heeft toch een diepe indruk op ons gemaakt. Wellicht kunnen we er heerlijk ontbijten. We bestellen een super broodje zalm met omelet, heerlijk. Daarna bestellen we weer een super broodje zalm met omelet, nog steeds heerlijk. Niet echt goedkoop maar dat is nu even niet anders.

Ik heb volstrekt geen idee hoeveel geld ik al heb gespendeerd, het zal nog wel genoeg zijn. We hebben ons toch niet echt exorbitant gedragen.

Er rijden een paar Oostenrijkse fietsen voorbij. Deze mannen waren we ook al eerder tegengekomen, boven op de brug bij de Saltstraumen. Ook de lieve serveerster van gisteravond is er weer, getooid met een grote Dolce Cabana bril op haar voorhoofd. We zien zelfs ‘Ron Brandsteder’ van gisteravond voorbij lopen, nu nuchter(der).

Ik vraag de serveerster waarom alle Noren zo onderdanig en volgzaam zijn, haast bij het enge af. “Norway is like a police-state”, zegt ze teleurgesteld. Wij hadden ook al een beetje dit idee. Iedereen is doodsbenauwd voor een bekeuring, maar er is geen politieagent te zien. De hele reis hebben we hooguit tien politieauto’s gezien.

Na dit heerlijke ontbijt zoeken we de zachte zitjes weer op en rijden verder. Vandaag hopen we zo’n beetje bij Røv te komen, een plaatsje aan de ‘65’. Ongeveer een honderd kilometer ten zuidwesten van Trondheim. We rijden nog maar net of het begint weer te regenen. Als we zo nog een dikke driehonderd kilometer moeten rijden, wordt het vast niet zo’n fijne rit. Jammer. Toch valt het gelukkig wel weer mee, het blijken slechts een paar fikse buien te zijn.

We rijden via Steinkjer naar Trondheim. Om Trondheim ligt een ring van tolpoortjes. Lekker alleen maar voor auto’s, de motorfietsjes mogen fijn doorrijden. Natuurlijk zijn we weer de domme toeristen die netjes bij het tolpoortjeloket stoppen. Toch maar wat beter op de borden letten, daar staat het immers duidelijk op vermeld.

We moeten dwars door Trondheim heen. Op een best wel hele saaie plek stoppen we voor een sjekkie. We staan langs een drukke doorgaande weg, midden in de stad, voor de plaatselijke bingoclub, jottum. Niet zo bijzonder veel te beleven, maar het is droog, ha.

Via een heel boeketje aan tunnels rijden we de stad uit. Net onder Heimdal verlaten we de ‘E6’, de ‘Noordkaaproute’. Deze weg is eigenlijk alleen maar netjes en druk, en dat zijn we niet meer gewend. De weg die we nu volgen loopt dwars door de Trollheimen heen, een schitterend natuurgebied en een schitterende weg. De omgeving is hier een stuk lieflijker dan in het ruige noorden, lieve heuveltjes met lieve boompjes en grasjes. Maar wel een heerlijke bochtige weg. Het is droog dus de voetjes schuren hier en daar weer over het asfalt, vet. De motor rijdt als een speer, hij ligt heerlijk vast op de weg. Door de zware bepakking heb ik lekker veel druk op het achterwiel. Ik ben blij dat mijn voorband, dus achter, mijn vertrouwen heeft gewonnen. Het valt me beslist niet tegen wat deze Bridgestone voor wegligging heeft, heerlijk. Luid zingend rijden we over de ‘65’, niemand kan ons horen…, toch?

Door schade en schande zijn we erachter gekomen dat bier halen een goed voorbereidde en zorgvuldige klus is. Je moet heel goed plannen dat je ruim voor achten in de winkel bent, anders kun je het wel schudden. Hard zoeken naar een winkel dus, prioritieti nummero uno. We stoppen bij een ruime winkel waar nog licht brandt. Een medewerker staat de hal aan te vegen, maar wij mogen er niet in. De man reageert zelfs niet eens, rare Noor. Gesloten, bah. We zoeken ons geluk maar verder. Het is al een uur of zeven dus we moeten wel voortmaken. Ineens rijden we langs een grote supermarkt, mooi. De winkel is zelfs nog open en met een brede grijns lopen we naar binnen.

Wat een zaak, ze hebben van alles, en dan nog meer. In een koeling lacht een hele rij met blikjes Guinness mij uitdagend toe. Ik wordt overmand door een golf van geluk, ik hou het haast niet meer droog. We kopen brood, worst, bier en garnalen. Pieter heeft een soort saladedressing-buffet gevonden met allerlei heerlijke dingetjes: garnaaltjes, olijven, kaasblokjes, dressing, gesneden sla en nog veel meer. Hij propt een plastic bakje knettervol met deze lekkernijen en dekt het af met een lullig laagje sla, dit is pas een goed gevulde salade. Samen met de salamiworst en het brood krijgen we straks een hele maaltijd. Ik bedank de caissière voor haar uitgelezen sortering en laadt de boodschappen achter in mijn felrode Viking-line rugzak, alles kan er maar net in, en dat is een goed teken.

We rijden verder de laatste vijftien kilometer naar de camping in Røv. Dit blijkt echter geen camping te zijn maar een terrein met schitterende gezellige hutjes. Gelukkig heeft de vriendelijke eigenaar nog een huisje vrij. Wat een schitterende locatie. Een grasveld van zo’n honderd meter lang en een twintig meter breed, omzoomd door hoge loofbomen. De hutjes zijn in een woord geweldig, schoon, ruim en gezellig. Echte blokhutten met prachtig begroeide schuine daken en een ruime veranda. Je kunt er nét een tafeltje neerzetten met twee stoeltjes, ruim genoeg voor ons beide.


camping Røv


Achter de hoge boomwal horen we een snelstromende rivier, de Surna. Overal staan lange vliegvishengels tegen de huisjes, de een nog stoerder dan de ander. Pieter maakt een belachelijk lekkere salade en met een potje bier nestelen we ons op de veranda.


jottum


Op het open middenterrein zien we een paar vissers oefenen met hun hengels. Dit vind ik best wel sportief vissen, heel wat beter dan met een dobbertje aan de kant van het water zitten wachten tot je een ons weegt. Hier moet je nog werken voor de vis. Ik ben er eindelijk achter dat het moeilijke zwaaien met de vlieghengels alleen maar nodig is om de vlieg, met haak, zo ver mogelijk in de plomp te krijgen. Onze overbuur is een ware virtuoos, de lijn volgt een prachtige boog en met elke worp vliegt de verzwaarde lijn steeds weer een paar meter verder weg. Hij, en zijn buurman hebben beide een hond mee. De ene moet gewoon de hele dag, achter in de auto zitten. Hij mag er alleen maar ’s avonds even uit. Hooguit een minuutje en dan moet hij het hutje in. Wat een zak van een baas en wat een arme, zielige hond. Zijn buurman gaat zowaar even lopen met zijn hond.

Voor óns is het hier goed toeven, de kramsvogels laten luid van zich horen, en op een gegeven moment zien we zelfs vleermuizen.

We blijven heerlijk zitten kletsen en schrijven tot diep in de nacht.

Slaap lekker.



Vr 29 juni 2007

Vandaag berijden we de Trollstigen, de ‘trollenladder’. Een prachtige weg, steil omhoog met vele scherpe haarspeldbochten. Een ware must voor de motorrijder.

Eerst ontbijten met verse koffie en het overgebleven brood. Samen met het bakje garnalen is dit een goed begin van wederom een prachtige dag.

Doordat ik alle kookspullen heb, Pieter heeft gewoon helemaal niets meegenomen, de etter, ben ik extra lang bezig om alles weer ordentelijk in de tassen te krijgen. Pieter vertikte het zelfs om z’n eigen bestek uit te pakken, de luie etter. Maar….., het is hem gegund, hij heeft dit dubbel en dwars verdiend, de topper.

Wanneer we voorzichtig over het grasveld wegrijden staat de hele ‘camping’ ons uit te kijken, allemaal vissertjes en vissertjesvrouwtjes. De eigenaar blijkt een hele bekende Zweedse topvisser te zijn, tjonge.

In Kvenna nemen we de veerboot naar Rykkjem, een kort tochtje van zo’n tien minuten.


veerboot naar Rykkjem


Bij de aanlegsteiger van Rykkjem drinken we koffie en roken we een sjekkie, “paaaaaaaltje”. Twee bruinvissen zwemmen statig voorbij, mooooooi. Via Sunndalsøra rijden we naar Andalsnes. Weer zo’n schitterende tocht met prachtige bergen en heuvels, flink begroeid.

We moeten een flinke klim maken met allerlei uitdagende en spannende bochten. Pieter was beneden bij de afslag per ongeluk rechtdoor gereden en kwam daardoor achter een witte Volvo te zitten. Ik niet, ha. Ik had lekker vrij baan. “Gååååååååååån” denk ik en knal volop naar boven, de BMW flink de sporen gevend. De bochten schieten voorbij, wat rijdt die motor fijn, en wat stuurt’ie super. Als ik boven ben ga ik heel snel afstappen en dan ga ik demonstratief met een sjekkie langs de kant staan wachten tot mijn broertje ook eens eindelijk boven is. Pieter heeft kennelijk ook het gas open getrokken want al snel hoor ik zijn motor de berg opbrullen. Mislukt. De weg naar beneden gaat een heel stuk behoedzamer. Onze trommelremmetjes zijn nou niet bepaald gesofisticeerde stoppers, daar moet je voorzichtig mee omgaan, goed uitkijken en vooral vroeg beginnen met remmen.

In Andalsnes eten we wat bij het tankstation. Vanaf Andalsnes begint het adembenemende dal met aan de zuidzijde de steile wand met zijn Trollstigen. Halverwege moeten we stoppen voor foto’s.


voet van de Trollstigen


We zijn weer in oh en ah land. Een jochie van een jaar of vijftien ploetert op zijn racefiets langs de stijgende weg omhoog.

Ineens staan we onderaan de Trollstigen. Een donderende waterval stort vanuit de hoogte omlaag. Halverwege is een prachtige kleine stenen boogbrug. De ‘63’ slingert zich in vele haarspeldbochten naar boven. Bwah, dit is moooooi. “Jaaaaaa” schreeuw ik en trek het gas open. Halverwege de klim stoppen we bij de boogbrug. Het jochie op zijn racefiets kruipt ons voorbij, tssss, uitslover, dom jong, rare Noor.

De brug overspant een waterval, die woest omlaag klettert. Door de nevel van waterdruppels heeft de brug iets mysterieus.


Trollstigen


Net over de brug loopt een ‘pad’ van losse rotsen en keien naar beneden. Het pad is eigenlijk meer iets voor berggeiten, voor een mens is het een aardige klim. Langs het pad hangt een zware ketting als leuning. Dit was vroeger de enige manier om vanuit het zuiden in het dal te komen. Bij een watervalletje doop ik mijn hoofd onder het ijskoude water. Natuurlijk wel eerst even mijn pak goed dichtgedaan. Heerlijk fris, ik ben gelijk weer wakker(der). Hier kan geen ‘Fa’ tegen op.


citroentjesfris


Ik klim weer terug naar de brug. Samen rijden we verder naar boven. Dit schijnt de steilste beklimming over de weg ter wereld te zijn. Het is eigenlijk gewoon een verticale wand aan het eind van een diepe vallei.

Pieter zet z’n fiets netjes bij de parkeerplaats, de mijne zet ik gewoon bij een van de vele souvenirstalletjes. Bij het eerste winkeltje koop ik nog even een koelkast-trolletje. Degene die ik op de Noordkaap heb gekocht is voor Marc. Hij heeft Nina superfijn geholpen toen de kelder thuis was ondergelopen. Het water stroomde bij een hevige regenbui vanuit de bouwput door een gat de kelder in. Het water stond Marc tot aan z’n bipjes. Toffe vent. Hij kan nu wèl zeggen dat hij de enige is die in onze kelder gezwommen heeft. Niels had er niet zo zin in, watje.

We lopen langs de kraampjes naar het ‘utsiktspunkt’ of iets dergelijks. Wat een ongelooflijk mooi uitzicht, je kunt haast helemaal tot in Andalsnes kijken.


Trollstigen


Zo, klaar, seen it, felt it, done it, rijden. Het is ondertussen zachtjes gaan regenen als we door de sneeuwvelden naar beneden rijden.

Sneeuwvelden? Ik wil met mijn fiets in de sneeuw staan. Na even zoeken vind ik een plekje waar ik zonder al te veel poespas de sneeuw in kan rijden. Pieter is ondertussen verder gereden. Ik zie hem nergens meer. Roepen en schreeuwen heeft geen nut. Ik hoor alleen de echo vanaf de bergwanden terug kaatsen, voor de rest is het hier volstrekt stil, desolaat, super. Voor de tweede keer vandaag hoor ik opeens het diepe gebrom van Pieters motor de berg opkomen. Breed grijnzend laat hij z’n achterwiel diep in de sneeuw graven, ‘doet me denken aan Polen. Het achterwiel staat tot de as in de sneeuw. Ondanks alle bepakking blijft hij zonder problemen staan.


bovenop de Trollstigen


We rijden weer verder naar beneden. De buikjes beginnen haast hoorbaar te knorren. Vlak bij Langdal stoppen we bij een restaurant. Het is weer prachtig weer, de zon staat te stralen aan het zwerk en het is zo’n 18°, heerlijk. We nemen elk twee fabuleuze broodjes hamburger met een spiegelei. Als toetje nemen we elk een groot glas verse aardbeien. We zitten hier tenslotte in ‘Strawberry valley’ zoals de meer dan leuke serveerster ons vertelt.


lief aardbeimeiske


Overal om ons heen zien we velden vol aardbeien. Ik ben niet zo’n heel enthousiaste fruiteter, maar deze aardbeitjes zijn werkelijk geweldig. Suiker of slagroom is niet nodig, zo zoet. Wel behoorlijk duur, behoorlijk erg duur.

In Valldal doen we boodschapjes en halen we geld. Er zijn zelfs twee supermarkten, gelukkig heeft de tweede Guinness, joepie.

In Valldal moeten we weer een veerboot hebben. Ik dacht dat we alle veerboten wel zo’n beetje gehad hadden, dus rijden we eerst even een beetje verkeerd. De veerboot brengt ons naar Eidsdal. Hier moet ergens een camping zijn die gerund wordt door een ex-conducteur van de NS. Dit had ik een paar maanden geleden in de trein gehoord.

Na even zoeken vinden we Camping Solvang, prachtig gelegen met schitterend uitzicht op een majestueuze bergwand aan de overzijde van het dal. We zetten onze tenten op en leggen ons, er voor in het gras, te rusten met bier en andere lekkernijen. Naast ons staat een Nederlands echtpaar met een typische ‘Vrijbuiter’tent. De man is een heerlijk kletsende trambestuurder uit Almere. Hij vertelt honderduit hoe veel hij wel niet heeft en wat hij wel niet allemaal kan, vooral op fotografisch gebied. We krijgen zelfs een visitekaartje voor zijn website. Een leuke kerel.


camping Solvang


We lopen nog even een rondje over de camping. Over twee huisjes verdeeld zit een groepje Duitsers. Zij maken op hun glimmende nieuwe fietsen een rondritje door Noorwegen. Gelukkig weten zij precies hoe het allemaal moet en niet moet, dûh.

Het wordt te koud om languit voor de tent in het gras te liggen. Alle campings in Noorwegen hebben volgens mij een ruimte waar je lekker overdekt kunt zitten, behalve deze.

riant’


De enige voorzienig op deze camping is een houten hokje van twee bij twee met een tafel, twee stoelen en een elektrisch comfoortje. Géén verwarming, dus al gauw worden de kookplaten op frituren gezet wat, slechts voor kort, wat warmte biedt. We ouwehoeren en schrijven nog wat en na een uurtje duiken we de tent in, brrrr. Het is hier nog steeds niet donker.

Welterusten.


Za 30 juni 2007

Ik heb heerlijk geslapen en heerlijk gedroomd, ik weet niet meer precies waarover maar ik weet dat het wel een hele fijne droom was, ‘kan ook niet ander want ons hele gezinnetje kwam er in voor, zelfs Henk en Henriette.

De zon brandt me de tent uit, oké, ik sta wel op. Ik moet trouwens ook vreselijk naar de wc. Het is gelukkig nog vroeg als ik in m’n T-shirt met motorlaarzen over de camping naar de toiletten loop. Ik hoop maar dat niemand me gezien heeft. Het T-shirt is nét een beetje te kort.

Ik duik weer heerlijk mijn lakenzakje in om nog héél eventjes de oogjes te sluiten, heel eventjes maar.

Het is al laat als we werkelijk opstaan, jammer dus…. Bij Jos, de ex-conducteur, bestel ik twee koffie. Gisteren hebben we in de supermarkt brood met voorverpakte omelet gekocht, eetbaar maar ook niet meer dan dat.

We pakken de boel weer op en rijden in de volle zon weer verder naar het zuiden. Het lijkt me mooi om vandaag de Nigardsbreengletsjer te bereiken. Maar eerst de Geiranger, die moet volgens zeggen ook best wel geinig zijn.

Wanneer we net van de camping af rijden moeten we gelijk stoppen voor een hele kudde schapen op de weg, prachtig.


net na de camping


Het schitterende weer en de prachtige weg zorgt voor een superrit. Ineens staan we boven aan de Adelaarsweg. Een soort Trollstigen halverwege de Geirangerfjorden. Het uitzicht is adembenemend mooi. Aan het begin van de slingerweg is een plekje gecreëerd waar je mooi over de fjord kunt uitkijken.

Voorzichtig rijden we langs de elf scherpe haarspeldbochten naar beneden.


Örneveien (Adelaarsweg)


Geiranger is een heuse toeristentrekker, opgenomen in de Unescolijst van plezante fjorden of zoiets.


Geiranger


Pieter stelt voor om de veerboot te nemen die heen en terug naar Hellesylt, een vaart van twee uur vice versa. We kunnen ook wel op een van de rondvaartboten mee, maar die zijn zo’n drie keer duurder dan de veerboot.

De motoren laten we bij de pier staan, hopen dat er niks vanaf gejat wordt. We hangen eerst zo’n anderhalf uur rond in het dorpje. Koffie drinken is een hele belevenis met al die voorbij slenterende mensen, vooral veel schone dames qua uiterlijk. Heerlijke koffie overigens.

Wanneer we de boot oplopen, gaan we direct door naar het dek. Dit is lang geleden dat ik voor het laatst een boot opgelopen ben. We confisqueren twee stoelen en vleien ons neder. De zon staat wellustig aan de hemel te ploeteren, goed zo jongen, lekker warm hoor. We gaan aan stuurboordzijde zitten, rechts dus. Zo kunnen we de heenweg de ene zijde van de fjord zien en op de terugtocht de andere. Dit is gewoon planmatig toerisme.

Langzaam stroomt de boot vol met kwetterende Japanners. Deze mensen hebben over het algemeen slechts elf vakantiedagen per jaar! Logisch dat zij al hun reizen overdreven veel fotograferen, elf dagen is gewoon te kort om alles in je op te nemen. Dan maar thuis in Nippon verder vakantie vieren met alle kiekjes. Japanners maken niet zo maar foto’s van de omgeving; zij moeten er zelf ook op staan. Anders is het niet echt of zo. Volgens mij zijn dit de zelfde mensen die we op de Noordkaap ook al zijn tegengekomen, òf ze lijken veel op elkaar, dat kan natuurlijk ook.

Naast ons gaan twee strak in het vel zittende Duitse motorrijders zitten. De jongste trekt zíjn trui uit en zit weldra met z’n ruim bemeten buik te pronken in de zon. Charmant, zo met z’n zwartleren motorbroek en z’n metallicblauwe ‘ROOF’helm. De man heeft veel weg van een rollade. Zijn motorhandschoenen zijn aan de bovenkant bezet met grote, glimmende metalen platen, twee voor elke vinger en nog twee hele grote bovenop zijn hand.

De tocht is schitterend, we hebben stralend weer.


Geirangerfjorden, De Zeven Gezusters


In verschillende talen worden de bezienswaardigheden benoemd. Het Duits begint elke keer met: “Meine sehr geëhrte Damen und Herren…..”. Talloze watervallen glijden aan ons voorbij, sommige van wel tweehonderdvijftig meter hoog. Tegen de steile wand staan nog een paar, fraai gerestaureerde boerderijtjes. Een pad of weg is niet te bekennen. Vroeger ging alles per boot. De mensen leefden van hun fruitbomen en vis. Het schijnt zelfs dat de kleinere kinderen aan een touw vastzaten om maar niet van de helling te donderen.

In Hellesylt gaan de meeste mensen van de boot. Heinrich ROOF heeft een koket geel boodschappenmandje op z’n stoere motorfiets, beetje lullig.


ne tollen Biker, nah


Op de boot mag niet gerookt worden dus wij stappen ook even af. Haast automatisch zoek ik ’n “paaaaaaaltje”, hoeft niet, onze fietsjes staan gebroederlijk uit te rusten in Geiranger.

Zo, nu de andere kant van de fjord. Ook mooi. Het is een heel stuk rustiger op de boot, de Japanse toeristen zijn weer enthousiast kwetterend doorgebust. Wanneer we het laatste stuk naar Geiranger invaren, zie ik in grote witte letters de naam ‘Henk’ gekalkt.


Henk…..?


Hoe zal het met Henkie zijn. Van Nina hoorde ik dat hij de dag dat wij vertrokken, ineens weggelopen was, in dezelfde richting als waar wij ‘s ochtends de Hoofdweg uit reden. Pas na lang zoeken kwam een hele lieve dame van de Molenweg hem terugbrengen. Misschien is hij geschrokken van het onweer, of wilde hij me toch achterna rennen, arme hond. Ik mis het dier. Hij zal me nu al wel vergeten zijn, takkehond.

Als we weer op de kade staan zien we de beide fietsjes heerlijk uitgerust in het zonnetje staan. Alles zit er nog op en aan, ‘hadden we eigenlijk ook niet anders gedacht. Natuurlijk staan ze gewoon te popelen om weer lekker te rijden, onze keutelfietsjes. Ik heb ook weer zin om te gaan.

We rijden Geiranger uit. Net buiten het dorp worden we aangehouden door een vriendelijke Noorse. Of we even willen wachten, een stukje verder wordt namelijk een bruidspaar gefotografeerd. Prima, ik ga even lekker op een muurtje zitten, uitkijkend over de diepe fjord.


even wachten op het bruidspaar


Na een minuut of vijf kunnen we weer verder rijden, bruid en bruidegom zijn al weg, jammer. Ik had het gelukkige stel graag willen zien.

Na een stevige klim komen we op een vlakker stuk. Tussen de rotsen liggen grote sneeuwvelden. We stoppen even om te genieten. Het is hier stil, heerlijk stil. De hele dag hoor je, boven het ‘oh zo tevreden’ gebrom van de motor, het gedonder van de rijwind in je oren. Stilte is dan echt heel erg stil.


op naar Dalsnibba


Na een paar kilometer komen we bij een deels bevroren meer. Tussen de plakken ijs schittert het diepblauwe water in de zon. Dit is pas oh en ah.

Linksaf kunnen we naar Dalsnibba. Eigenlijk weten we niet wat dat is, maar het tolpoortje maakt ons nieuwsgierig. We betalen een paar krønen en rijden naar boven. Het hele stuk rijden we over los gravel. Het is goed opletten, het gravel voelt slipperig aan. Het beste kun je hier gewoon rustig blijven doorrijden. Als je stopt, kom je haast niet weg. De elf haarspeldbochten brengen ons naar een hoogte van anderhalve kilometer boven de fjord.

Bovenop is een parkeerplaats met een hoge betonnen stoeprand eromheen. Onverdroten rij ik tot aan de rand en kom tegen de betonnen rand tot stilstand. Direct hierachter is een diepte van een dikke honderd meter. (Zo, dat is pas lekker stoer, zo tot aan het randje.) Ik wil de motor ook zo dicht tegen de rand hebben voor de foto’s, dat is veel mooier, toch? Dit is dus het punt waar vanaf al die schitterende foto’s van de Geiranger zijn gemaakt, geweldig. Vooral met dit weer is het fenomenaal. De wolken ‘schaduwen’ zich prachtig in het groene dal. Halverwege het dal begint de fjord met aan het einde de schitterende Örneveien, de Adelaarsweg, waarlangs we eerder deze middag naar beneden reden. Het is best druk hierboven.

Dalsnibba, zicht op Geirangerfjord


Ook hier weer een bus vol Japanse toeristen. Supervriendelijke mensen, de hele tijd maar buigen en lachen. Én kakelen. Een paar vrouwen dragen en paraplu tegen de zon. Geen parasol maar een heuse paraplu. Ik heb eens ergens gelezen dat juist de Japanse vrouwen het mooi vinden om bleek te zijn. Misschien is dit om dat de bleke huid de reine huid is, niet verkleurd door de zon. Natuurlijk kun je ook veel mooier met kleuren werken op een lichte, bleke huid.

Een stukje naar beneden is een uitstekende rots waar je uitstekend kunt zitten, lekker rustig in je eentje. We klimmen naar beneden, gelukkig loopt het redelijk rustig omlaag. Dat kun je vanaf de rand van de parkeerplaats niet zien. Het moet voor de mensen boven een raar gezicht zijn dat wij, ogenschijnlijk zo de diepte induiken. We maken weer de meest hachelijke foto’s ooit. (valt wel mee hoor).


1500 meter hoog


Ik vlei me neder op een rotspunt. Voor me zie ik alleen maar ruimte, recht voor mij uit, boven, links, rechts en óók naar onder. Mijn voeten hangen nét over de rand. Geiranger ligt op een dikke vijf kilometer voor me. Ik zit als het ware op de rand van een héle grote badkuip; zes kilometer lang, twee breed en anderhalve kilometer diep! Het voelt als een trechter, het lijkt wel of deze diepte mij wil opzuigen, brrrrr.


zuigende diepte

Ik ga toch maar even weer naar boven, voordat er enge dingen gebeuren. (Nina vertelde mij dat een korte tijd na ons, inderdaad iemand in de diepte moet zijn gestort, zijn lichaam is onder aan dit klif gevonden). Aan de zijkant van de parkeerplaats loopt het licht glooiend naar beneden. Het hele stuk ligt onder een dikke laag sneeuw.

glijdt voor geen meter


Joelend glijd ik moeizaam op mijn kont naar beneden. Dit glijdt eigenlijk voor geen meter.

Dan maar sneeuwballen gooien met Pieter, midden in juni, ha. Naast Pieter staat een ouder Japans echtpaar. De vrouw maakt ook een sneeuwbal en gooit hem in mijn richting. Daar is dan ook alles mee gezegd; goed mis. Het moet toch niet gekker worden: in juni, midden in Noorwegen, met uitzicht op de mooiste fjord ter wereld (zegg’n ze), bekogeld worden met sneeuwballen door een Japanse vrouw.

Ik kan natuurlijk niet gewoon een bal terug keilen dus gooi ik maar weer naar Pieter, die zich net omgedraaid heeft. Met een frisse pets knalt de sneeuwbal op Pieters kalende kruintje uiteen. De Japanners juichen en ik krijg welhaast een staande ovatie.

Als we weer op de motor willen stappen, raken we aan de praat met een jong Noors stel. Zij zijn samen een rondrit door Noorwegen aan het maken, allebei met hun eigen motor. Gezellige mensen. Ik vond de rit naar boven best wel spannend en heb dan ook best wel respect voor het meisje. Zij heeft nog maar net haar rijbewijs gehaald.


Djupvatnet


Het is al half zes als we behoedzaam naar beneden rijden. Onder aan de slingerweg stoppen we weer bij het schitterende ijsmeer met de veelbetekenende naam Djupvatnet. Een snelstromend beekje schiet onder het sneeuwdek vandaan en stort zich in het meer, glashelder water. We vullen beide onze veldflessen met puur smeltwater, schoon en fris, heerlijk.

Na een kleine tien kilometer komen we bij een driesprong. Het Noorse stel, van net, staat met de motor langs de kant. Een stukje terug haalden ze ons, enthousiast zwaaiend in. Ik stop naast hun en vraag of ik iets kan doen.

Dit is eigenlijk een soort ongeschreven motorrijdercode. Als je een motorrijder langs de weg ziet staan, hoor je even te stoppen om te vragen of je kunt helpen. Helaas schijnt dat in ons eigen kleine ego-landje géén regel meer te zijn. Toen ik ongeveer een jaar geleden met een kapotte versnellingsbak langs de A31 bij Harlingen stond, reden vele motoren mij, quasi ongezien, voorbij. Pas na een uur stopte een oudere man op een prachtige oude Honda CB 750 Four om te kijken wat er aan de hand was. Hij was zelfs omgereden om bij mij te komen. That’s the spirit. Wij worden in Nederland veel te solitair, alleen onze eigen ik is belangrijk. De rest van de wereld is eigenlijk alleen maar noodzakelijke ballast, ‘use it or dump it’. Zie Wilders en zijn aanhangers; alleen maar aan hun eigen benepen leventje denken. Volgens mij past de naam Ikwil-ders beter bij deze engerd. Merde, ik zit nú in Noorwegen. Dit is een van de mooiste reizen van mijn leven. Nederland is nu taboe voor mij, ha. Genieten zul je, kreng.

De enige reden dat ze beide hier stilstaan, is om ons nog een hele goede reis te wensen. Dit is echt heel fijn, superlieve actie. Dit kan dus ook, gelukkig. Hartelijk nemen we afscheid, zij slaan rechtsaf op de 15 en rijden richting het westen. Wij gaan de andere kant op, richting Lom.

Dit is het, de mooiste weg die ik tot nu toe gereden heb. Geen vette stuurweg, maar een zestig kilometer lange frisgrijze asfaltstreep door een waanzinnig schitterend landschap.


Ottadalen naar Lom


Dit is het Ottadalen, een ondiep dal op ongeveer duizend meter hoogte. We rijden door een soort steppe. Links van ons loopt het deels besneeuwde landschap langzaam schuin omhoog. Rechts zien we een aantal smalle meren, onderling verbonden door een snelstromende rivier aan ons voorbij glijden. Aan de overzijde van de meren gaat het rotsige landschap weer langzaam omhoog. Omdat we langzaam dalen, ligt elk meer ook steeds weer lager dan het vorige. Ik heb nog nooit meren op terrasniveau gezien. Het weer is schitterend, zonnig met prachtige witte wollige wolken. We zijn volstrekt alleen, we komen echt niemand tegen. Dit is nou waar ik zo gesteld op ben, dit is werkelijk je van het, hèt ultieme landschap; wijds, woest en verlaten. Rijdend maken we foto’s en filmpjes, er is toch geen kip op de weg.


geen kip op de weg


Na zo’n veertig kilometer stoppen we bij een camping aan de linkerzijde. Ze hebben wel plaats, maar er is geen eetgelegenheid. Ze hebben gelukkig wel een soort campingwinkeltje met bier enzo. Ik laad mijn kleine felrode rugzakje vol en we rijden weer verder. In Bismo stoppen we om even te eten en te tanken. Ik wil ook nog even shag kopen. Groot is mijn schrik als ik buiten merk dat mijn pakje Noorse halfzware shag mij zo’n €20,- heeft gekost. KUT, dit is wel heel erg duur, omgerekend vierenveertig gulden voor één pakje shag met vloeitjes, oeps. Nu word ik toch door de Noorse overheid gedwongen om nòg meer van mijn sjekkies te genieten, ik wou er net mee stoppen. ‘Is nait aans.

Hoe lager we komen, des te kolkender stort de Otta zich door het dal. Tegen negenen rijden we Lom binnen. Lom lijkt een beetje op een grote koekoeksklok. Veel donker hout en snijwerkjes. Hier moet ergens een grote camping zijn, maar Annie stuurt ons er ruim voorbij, takketrut. (Misschien hebben wij zelf niet zo goed opgelet, maar dat hoeft zij niet te weten.) Na een tijdje zoeken vinden we de camping, schreeuwend duur. €36,- voor twee tentjes, bah. Gelukkig is het sanitair van topklasse, ieder heeft zijn eigen badkamertje, met douche en wasbak, dus meer een douchekamer. Alles is superschoon en uit de speakers klinkt een zoetgevooisde neuzelstem van de een af andere Noorse ‘Clousseau’, aaaarch.

Snel zetten we de tent op. Pieter wordt tijdens de klus gebeld door Hillary en probeert een haring, al bellend de grond in te krijgen, moeilijk hè.


mannen kunnen maar één ding tegelijk


Wanneer we net de tentjes hebben staan, rijdt een hoestende en kuchende Triumph Firebird het terrein op. De Zweedse rijder zet, met de grootste moeite een rare éénstoks punttent op. Wat een onooglijk en moeilijk ding. Als hij klaar is, zet hij z’n ‘ïkke wøl ëën prååtje måkken’ gezicht op en loopt op Pieter af. Even later zie ik Gert en Antje op ons aflopen. Wij hebben hen eerder ontmoet op de camping op de Kaap. Een aardig stel vijftigers waar we in hun caravan lekker mee hebben zitten kletsen. We blijven weer een hele tijd kletsen. Leuk dat je van anderen ook de reiservaringen hoort. Echt gezellige mensen.

Languit voor de tent genieten we van de rust en het bier. Ik heb m’n Guinness en Pieter heeft Hansa bier. Dat is leuk voor broertje Hans, zo’n blikje. Pieter rijdt met zijn motor over het blikje totdat deze plat genoeg is om in een enveloppe verstuurd te worden.

Tegen enen lopen we naar de rivier. De Otta loopt vlak langs de camping. We zitten wat te kloten met een stukje piepschuim wat op de kant ligt. Wedstrijdje. Pieter gooit een enorme kei aan de rand als lanceerplatform voor onze zelfgemaakte bootjes. Je mag alleen maar de daar aanwezige materialen gebruiken. Met het piepschuim, twijgjes, houtjes en bloemetjes maken we ieder een prachtig vaartuig, eigenlijk meer tuig dan vaar! Welk bootje komt vanaf het platform het eerst in de sterke middenstroming terecht en vaart het eerste weg, dat is de strijd. Het is echter toegestaan om een bootje met voorsprong bruut en meedogenloos te stenigen (onder het mom van helpen natuurlijk). Dat houdt de strijd mooi open. Mijn jacht heeft, na een half uurtje dobberen, het ruime sop gekozen. Pieters scheepje verkoos toch liever de veilige wal, watjesbootje. Dat betekent bekogelen met stenen, naar de kelder met die schuit. Pets, doormidden. Bootje naar de haaien, ha.

Pieter maakt nu een grotere, met zeil (plastic zakje langs de kant). Het wordt een hele constructie.


het schip


Na de plechtige tewaterlating komt het schip in een eindeloze cyclus van rondjes draaien. Met een paar welgemikte keien komt hij eindelijk in de stroomversnelling terecht. Dat is niet leuk. Weer bekogelen dus, Pieter gooit een tactische steen op het achterdek en daarna eentje midscheeps. Krakend en kreunend kapseist het gevaarte en gaat ten onder. Vet.

Het is onderhand al half vier. We lopen tevreden kwekkend, als een stel kleuters weer naar de tent. Douchen en slapen. Als ik in de tent stap zie ik dat ik visite heb. Een prachtige roodbruine kater heeft zich heerlijk in mijn tas genesteld. Vette pech, opzouten. Na het douchen zie ik de kat buiten, krakend een mol verorberen. Moet dat nou verdorie zo dicht bij mijn tent. “Ksssssjt.”

Het was een schitterende mooie heerlijke volle dag.

Slaap zacht.


Zo 1 juli 2007

Het is stralend weer, de tentjes zijn helemaal droog. We gaan eerst even lekker eten in de ‘kantine’ van de camping. De tenten pakken we straks wel in.

Ik bestel een heerlijke uitsmijter met brood en een kopje koffie. Dit is toch het meest ultieme ontbijt, voedzaam en vet bovendien. We zitten lekker buiten op het terras, vlak bij de rotonde. Het is rustig op straat, het is tenslotte zondag. Pieter, de stoere stouterd, schenkt binnen nog een tweede kopje in, lekker zonder te betalen. ‘Moest die camping maar niet zo duur zijn.

Heerlijk voldaan lopen we weer terug naar de tent. Snel pakken we de hele zooi op, het is al tien uur.


camping Lom


Vandaag willen we naar de Nigardsbreen-gletsjer.

Vlak bij de camping gooien we de tank vol, en rijden hene. Al snel beginnen we te stijgen. Na een lange flinke klim komen we op een besneeuwde hoogvlakte. We rijden nu langs de rand van het ‘Jotunheimen nasjonalpark’, Op het hoogste punt, 1465 meter, stoppen we. Hier waan je je volledig in een wintersportgebied. De langlaufers glijden voorbij, echt waar.


Jotunheimen nasjonalpark

Dat wil ik ook dus ik klim een besneeuwd hellinkje op. Het is even klauteren om op de anderhalve meter dikke sneeuwlaag te komen. Het hele pakket is aan de zijkant helemaal gesmolten, alsof het met een mes is uitgesneden. Even met de bipjes heen en weer bewegen op de maagdelijke sneeuw, dat doen de curlingspelers ook met hun steen, dan glijdt’ie beter. Ik zet me af en ik glijd, zachtjes maar toch. Bijna onderaan moet ik toch maar stoppen; een hele berg sneeuw heeft zich in mijn broek verzameld. We blijven nog een tijdje van het heerlijke witte uitzicht genieten en rijden dan verder. Vanaf nu is het alleen maar dalen, eerst langzaam maar dan steil. Met haarspeldbochten. Naar beneden is toch leuker dan naar boven. Het is best spannend om steeds maar weer je remmoment te verlaten, en dan op het juiste moment het gas erop, heerlijk.


een half uurtje later


Beneden, op 14 meter hoogte, begint mijn buikje te kriebelen. Eten, tankstation. Nét voor ons worden de laatste twee pølsen verkocht, merde. “No, I’m sorry, I’m afraid those two were the last ones”, zegt het krullerige studiebolleke achter de balie. Merde, maar dan echt. Ik wil eten. Zwaar teleurgesteld rijden we verder. Tankstations zijn hier niet zo veel, dus we moeten maar ergens bij een cafeetje stoppen of zo. Na een paar kilometer stoppen we bij een leuk restaurantje vlak bij een waterval. Of andersom natuurlijk, het is maar wat je belangrijk vindt. Voor mij is het restaurant nu belangrijker dan de waterval.

We bestellen allebei een subliem broodje hamburger, heerlijk. Naast walvissen doden kunnen de Noren ook prima hambo’s maken. Echt rul gehakt, heerlijk fijn gekruid, verse sla en een kekke saus. Dit is wederom genieten.

Het is nog steeds heerlijk weer, we zitten buiten op het terras. Naast ons zitten twee Spaanse stellen. Met z’n vieren rijden ze op twee snelle toerfietsen, Honda’s of zo. Van Spanje tot hier, en ook nog via de Noordkaap zoals de stickers op de motoren laten zien. Respect, vooral voor degene die achterop zitten.

We drinken nog een flesje fris en stappen weer op. Het terrein is bergachtig en flink bebost, qua bomen. Heel mooi, maar we zijn meer gewend. Dit is mij allemaal een beetje te lief, met die leuke kleine dorpjes in het dal…. Gelukkig kent deze weg hele leuke bochtjes waar het fijn sturen is.

Bij Gaupne slaan we rechtsaf. We moeten nu een prachtig weggetje volgen door een zonnig maar nauw dal. De hellingen zijn haast volledig bedekt met dichte naaldbossen. Schuin onder ons zien we een snelstromend riviertje met kristalhelder water. Dit zal wel smeltwater van de gletsjer zijn.

Na zo’n twintig kilometer beginnen mijn oogjes toch wel heel zwaar te worden. Als ik nog langer doorrij, gaat het mis. Volgzaam, maar verbaasd rijdt Pieter achter me aan een bruggetje over. Ik stop en zet mijn fiets tegen het brughek. “Ik moet even stoppen, Pierre. Anders gaat het fout. Ik kan haast mijn ogen niet meer openhouden. Ik zal toch een klein tukje moeten doen”. Gelukkig vindt Pieter dit een gulden plan. We liggen languit op een soort alm in het malse gras, in de volle zon. Heerlijk. Ik heb de indruk dat ik direct weg ben……… Het wordt toch wat warm, zo in vol ornaat in de brandende zon. We verplaatsen ons onder een boom in de berm, even verder rusten. Na een half uurtje is het weer klaar. We kloten nog wat bij het riviertje en rijden weer verder.

Het is nog maar een klein stukje tot aan de gletsjer. Maar eerst moeten we tien hele kronen (€1,25) neertellen om überhaupt in het gletsjerdal te komen. Op zo’n anderhalve kilometer van de werkelijke gletsjer is een ruime parkeerplaats. Pieter zet z’n fiets neer en binnen een paar tellen staan er allemaal oudere mannen omheen. Het lijkt wel of ze vroeger allemaal een motor hebben gehad.


parkeerplaats bij Nigardsbreengletsjer


Ik kleed me om, en leg m’n spullen onder de motor. Natuurlijk neem ik wel de belangrijke papieren en fototoestel mee. De rest blijft, in goed vertrouwen bij de fiets. Gelukkig heb ik mijn bergschoenen meegenomen, dat loopt een stuk makkelijker dan mijn stugge motorlaarzen.

De wandeltocht naar het ijs gaat over allemaal gladgeslepen rotspartijen. Het is best wel klauteren zo. Vooral omdat we, Biesje eigen, natuurlijk weer een alternatieve route nemen, die niet echt makkelijker is.

De gletsjer is hoog, wel zo’n tien meter. Het ijs schijnt onnatuurlijk helblauw op. Schitterend.


Nigardsbreen

Een stukje verder is voor de toeristen, wij dus, een trapje in de ijsmuur uitgekapt. Met mijn bergschoenen aan is het zo glad dat ik maar tot de tweede tree kan komen. Geeft niks, wij hebben een heuse gletsjer beklommen. Done it.

Ik breek een klontje gletsjer af en sabbel op het vijfduizend jaar oude stukje, dat is oud. Dit water is nog nooit door een mensenhand beroerd. Het smaakt gewoon als water, je kunt net zo goed de diepvries plunderen.


vijfduizend jaar oud water


Zoals altijd, lijkt de terugtocht een heel stuk korter. Waarschijnlijk omdat we nu wèl de officiële route nemen. Natuurlijk moeten we ook even een head-dip in het meertje maken, Pieter zelfs in z’n blote bast, de bikkel.


de zot


Na zo’n drie kwartier lopen komen we weer bij de motor. Ik kleed me weer om en pak de zooi weer netjes op mijn fiets, klaar.

Tegen zessen rijden we weer weg. Op naar Sogndal, net voor de Laerdaltunneln. De rit van de Nigardsbreen-gletsjer naar Sogndal stelt eigenlijk niet zo veel voor. We zijn waarschijnlijk gewoon een beetje te veel verwend. De oh’s en ah’s zijn nu meer mwah’s.

Onderweg stoppen we bij een grote supermarkt om het bierblikje voor Hans op de post te doen. Hier kunnen we gelijk de boodschapjes doen voor vanavond.

Het is zo’n beetje negen uur als we de camping in Sogndal oprijden. Gelukkig hebben ze nog een hutje vrij. Minder fijn is dat het hutje zo’n twintig meter hoog tegen een steile helling ligt.


camping Sogndal


Er is zelfs een haarspeldbocht in het paadje naar boven. Ik moet wel drie keer op en neer lopen om alles naar boven te krijgen. Met een beetje moeite zou dit wel in één keer moeten lukken, maar op de een of andere manier krijg ik dat niet voor elkaar. “Planning Robje, planning”. Nadat we de zooi hebben afgeladen, rijden we het stadje in om ergens te gaan eten. In een erg trendy restaurant bestellen we een volwaardig maal. We zitten lekker op het terras als we worden aangesproken door een stel Japanners. “Hello, you remember me?, I threw snowball at you”. Dit is dezelfde vrouw als op Dalsnibba, bij de Geiranger. Zo zie je maar, ‘it’s a small world when you’re having fun’. Zij en haar man lachen en buigen nog wat, en lopen weer vrolijk verder.

Het eten is heerlijk. Zo ook de serveerster, die bij Pieter kleine streepjes kwijl aan zijn mondhoeken ontlokt. Hij weet zelfs een extra chocolaatje te scoren, de charmeur.

Na de koffie, met chocolaatjes dus, rijden we weer terug naar ons kleine huisje op de berg.

We zitten prinsheerlijk op ons piepkleine verandaatje met uitzicht over een pieletje van de Sognefjord. Gedurende de avond zien we elke keer weer dezelfde autootjes het tankstation, beneden bij de weg, binnenrijden. Kennelijk is dat een geliefde bezigheid van de Noorse jeugd; even door de stad toeren en dan weer terug naar de Shell.

Het wordt weer een latertje, met name doordat we zo lang mogelijk doen over ons laatste pilsje. Het is niet anders. Ik voel mijn oogjes weer zwaarder worden, het wordt tijd om te gaan slapen.

Droom fijn.


Ma 2 juli 2007

Wakker. Het regent licht. Ik neem plechtig voor om maar één keertje naar beneden te lopen en niet meer omhoog. Dat kan makkelijk want ik laat gewoon een paar tassen van de berg afrollen. De motor heb ik gisteravond tegen de receptie aan gezet. Met Annie er nog op. Wanneer ik Annie eraf haal terwijl het regent, krijg ik steeds weer sluiting. Dan maar Annie gemonteerd laten. Ik heb er gisteravond wel even een handdoek over heen gehangen. Zo van: lekker drogen onder het afdakje of zo.

We stappen weer op en rijden verder. Bijna missen we de Laerdaltunneln, met een kleine vijfentwintig kilometer de langste tunnel ter wereld. Noorwegen is een land van superlatieven: de langste tunnel ter wereld, de mooiste fjord ter wereld, de noordelijkste camping te wereld, de noordelijkste bierbrouwerij ter wereld, de mooiste kustweg ter wereld, het noordelijkste postkantoor ter wereld, het noordelijkste havenplaatsje ter wereld, enz., enz.

De tunnel is gewoon 2-baans, goed verlicht met netjes afgewerkte wanden. Heel anders dan al die donkere spelonken waar we eerder doorheen zijn gekomen. Op drie plaatsen, verdeeld over de hele lengte, zijn grote gewelven in de berg uitgehakt. Hier kun je mooi even stoppen.


Laerdaltunneln


De hallen zijn feeëriek helblauw verlicht, met onderaan mooie gele lampen, prachtig. Als er geen verkeer aan komt, en je roept/zingt luid “KUT-NO-REN” krijg je een prachtig akkoord dat heerlijk lang blijft nagalmen. Met een volle kerkelijke stem galmt Pieter een hymne, of zoiets, door de halfronde ruimte. De Notre Dame is hier niets bij, waanzinnig mooi. Ik dacht altijd al dat mijn oudste broer theologische trekjes had, al is hij een verwoed atheïst.

Na zes kilometer stoppen we weer. We zitten nu 12,25 kilometer in de tunnel, precies in het midden met zo’n anderhalve kilometer aan berg boven ons. Hoezo claustrofobie.

Ik wil een filmpje maken van Pieter die door de blauwe zaal komt rijden, dat moet een prachtige sound geven. Op een stil moment, komt Pieter op zijn BMW voorbijrazen. Helaas blijkt later dat ik mijn fototoestel niet op filmen heb staan, merde, wat ben ik ook een knurft.

Staand op de motor kan ik, met het toestel om de nek, best wel redelijke filmpjes maken. Je kunt dan beide handen gewoon aan het stuur laten, wel zo veilig.

Wat een idioot lange tunnel. Je zou maar eens tunnelbouwer zijn, die net de eerste drilboor in de rotswand zet. Na een week heb je misschien vijftig meter weggebroken, en je hebt nog vierentwintigduizendvierhonderdvijtig meter te doen. Dan slaap je toch niet lekker.

Al met al zijn we zo’n beetje drie kwartier in de tunnel. Ondanks de gigantische ventilatoren stinkt het als de ‘hel in autoland’. Het lijkt wel of je de hele tijd door een enorme uitlaat rijdt. Als we eindelijk weer buiten zijn haal ik opgelucht adem. De schone lucht is echter maar van korte duur. Tientallen tunnels liggen nog in het verschiet deze dag. De Laerdal was wel de topper.

We twijfelen even, we moeten eigenlijk rechtsaf, maar linksaf ga je naar Geilo. En zo’n plaats laat je toch niet links liggen. Wij wel, anders hadden we het Shell station ‘Kort & Kont niet gezien.



raar taaltje


We rijden een heel stuk langs de Sørfjord. Overal langs de fjord zien we smalle stroken met kersenbomen. Het doet haast Italiaans aan. We gaan van dorpje naar dorpje. Zo nu en dan rijden we dwars door een dorpje, voordat we überhaupt de notie hebben om netjes vijftig te rijden, sorry.

Als we door Odda rijden, stinkt het naar industrie, dat ben ik niet meer gewend hier. Dit is nu een groot voordeel van motorrijden. Naast het feit dat je een veel ruimer blikveld hebt, hoor je ook alles beter. Je voelt ook alles, zoals kou, warmte, regen etc. Zo kan het zo maar gebeuren dat je op een stuk open terrein zo maar een paar honderd meter door de kou rijdt, terwijl je daarna weer door een warm stuk rijdt. De geur is ook belangrijk. Zelfs met mijn beroerde neus (qua geur dus) merk ik rijdend best wel veel verschillende geuren op. Oost-Duitse bruinkool in Turku, vis in Reine en Ǻ, hyacinten in Bodø, wintersportgeur op de Jotunheimen, anijs in het Suldal en stront in het Røldal. Toch een behoorlijke verscheidenheid aan geurtjes, denk ik zo. Al dit soort ervaringen heb je gewoon niet in een auto, daar is alles alleen maar binnen, óf buiten de auto. Verder niets.

Vlak na Odda stoppen we bij een gigantische waterval, niet zo hoog maar wel erg woest.


vlak na Odda


Ik wil mijn zitkussentje even wat verder opblazen, ik krijg wat pijn aan de bippen. Dit zal straks heerlijk zitten zeg, mmmmm.

Als ik op het bruggetje sta, lijkt het net of het flink regent. We roken nog een sjekkie en rijden weer verder. Weer een hoogvlakte, waanzinnig mooi. Alles onder een dik sneeuwdek. We zitten hier aan de rand van de roemruchte Hardangervidda, een groot ‘nasjonalpark’. De weg duikt weer naar beneden, een tunnel in. Deze tunnel loopt in een spiraalvorm naar beneden, lijp. Ik zit op de motor te vloeken. “Komt er nou niet eindelijk eens een eind aan dit ding, of hoe zit dat”. Annie is de weg kwijt als we het spiraaltje uitrijden, wij ook. Volgens de kaart op mijn tanktas zitten we in het Røldal. Als ze weer bij is kiest ze de 13, recht naar het zuiden. Wij kiezen echter de 520.

Dit blijkt een prachtig, supersmal B-weggetje door een haast vergeten dal te zijn. We komen niemand tegen. Tenminste de eerste 35 kilometer niet. Plotseling komt een titanic truck om de bocht, oeps, dit kan toch niet. Wij hebben al moeite om met de motor deze weg te rijden, laat staan met een knots van een vrachtwagen met oplegger. Wij moeten steeds donders goed opletten met al die onoverzichtelijke krappe bochten. Zij moeten wel dezelfde weg volgen als wij, ze kunnen nergens anders heen en keren is helemaal taboe. Rare jongens die Noren.

Net voor Sand zie ik dat het al half acht is. We moeten nog een slaapplaats vinden en bier, of andersom eigenlijk. We stoppen bij een luxe hotel met hytter, alles vol. Er is echter wel een supermarkt op zo’n tien minuten rijden. Blazen dus naar de winkel. Om tien voor acht staan we in de winkel. Guinness, vet. En hele lange bierworsten. Ik neem eentje extra mee voor Niels thuis, dat zal hij wel lekker vinden, hoop ik. Anders eet ik hem wel zelf op.

We hebben nog steeds geen slaapplaats. Het is te koud en te nat om te gaan kamperen, dus een hutje, lekker verwarmd en droog zou heel fijn zijn.

In Sand komen we bij een camping met hutjes. Als ik aan een oude Noorse vrouw in een gore trui naar een huisje vraag, steekt ze onzeker zes vingers op “zeks persøne”. “Zwei persønne” zeg ik in mijn beste Noors. “zeks persøne” zegt ze weer. “Nou meissie, dat is dan mooi kut” zeg ik vriendelijk en we rijden weer de camping af.

Een stukje verder komen we bij de volgende Hytternoor. Hij schudt ons vriendelijk de hand en geeft me trots een rondleiding. Het ziet er inderdaad schitterend uit. Groot, schoon en luxe, mèt zwembad. “How much?” vraag ik. “For the two of you only 750 kroner”, zegt de overvriendelijke hytterheer. “That’s far to much for us, thank you”. We zoeken wel verder.

Het is al best laat als we in Nesvik aankomen. Ook hier is niets te vinden. Je kunt nu wel duidelijk merken dat de Noorse zomervakantie begonnen is, alles is haast vol. Vanuit Nesvik nemen we de boot naar Hjelmeland. Gelukkig vinden we daar een leuk hutje in het groen. Het kost wel zo’n €25,- per persoon, maar wat moeten we anders. Het regent nog steeds en het is beslist niet warm.


rorbuer in Hjelmeland


Het avondeten bestaat vandaag uit het ontbijt van morgen. Volkoren broodjes met kaas en katenspek. Saai, maar wel een prima manier om de hoge prijs van het hutje te compenseren. Buiten is het donker, stom. Al meer dan 46 jaar wordt het elke dag weer donker, je weet gewoon niet anders. En dan verblijf je een dikke twee weken in het daglicht, en ineens is het donker zijn vreemd. Het wereldje om je heen is ineens heel klein geworden, ik zie alleen maar het dorpje bij het water, voor de rest niets. Toch een behoorlijk verschil met toen we in Ǻ, midden in de nacht op het klif, meer dan 100 kilometer ver konden kijken.

We schrijven nog een beetje in het dagboek en kletsen nog wat. Het is mooi geweest, ik ben opski. Mmmmmpff.


Di 3 juli 2007

Tegen tienen staan we op, ik heb heerlijk geslapen. We hebben nog twee broodjes met beleg over van het avondeten. Samen met een lekkere beker melk heb je zomaar een heel ontbijt.

Vandaag gaan we naar de Preikestolen. Na afscheid te hebben genomen van de aardige buren uit Emmen, stappen we weer op en rijden verder over de ‘13’.

Het weer twijfelt een beetje; regen, zon of alleen maar bewokkeld. Het is maar een dik uur rijden naar de Preikestolen (Perestrojka boudeltje, zoals Robert eens zei).

Bij de parkeerplaats van de Preikestolen moet je betalen. Waarschijnlijk betaalt men hier het onderhoud van de Preikestolen van, eigenlijk wel een goed systeem vind ik. De motoren plakken we tegen een rotswand.

Ik moet eerst mijn bergschoenen aantrekken want het schijnt een best pittige klauterpartij te zijn. Ik doe mijn motorpak uit en alleen in joggingbroek en T-shirt gaan we naar boven. Mijn joggingbroek stamt ongeveer uit 1704, nèt voordat ze het joggen hadden uitgevonden. Hij is dan ook ietwat versleten. Het elastiek is gedevalueerd tot tiek, het elastische is niet meer. Trouwens; in 1704 hadden ze het elastiek ook nog niet uitgevonden, ‘kun je je voorstellen hoe ik er nu bij loop. Gelukkig heb ik bij de Vrijbuiter een soort heuptasje gekocht voor een flesje water, deze kan ook prima fungeren als riem, EUREKA. Broek omhoog en nog drinken ook, yes.


Zandvoort


Volgens de Lonely Planet is vooral het eerste én het middenstuk zwaar. Ik heb er een beetje een hard hoofd in om twee uur te klimmen. We moeten over een kleine vier kilometer zo’n 330 meter klimmen, voor een sportman als ik voorwaar geen sinecure.

Het is best druk op de berg. Er is haast een constante stroom van afdalers, de een nog roder dan de ander. De echt zware dalende dikkerds geven haast licht. Zij hebben het flink zwaar. Ik vraag me af of ze überhaupt de top wel hebben gehaald. Verder zijn het voornamelijk dertigers die we tegenkomen.

Gelukkig is het redelijk weer, in ieder geval droog. Onderweg naar boven stoppen we drie keer, natúúrlijk om van het uitzicht te genieten. Ze mogen de wegenbouwer daar wel eens een keertje ter verantwoording roepen. Het eerste stuk is stevig klauteren over losse rotsblokken, flink steil. Daarna volgen afwisselend wat vlakke stukken en wat stevige klimpartijtjes. Ik vind het echt een zware klim, Pieter ook, en dat wil wat zeggen.

De mooie vrouwen die naar beneden lopen, doen mij haast de enkels verzwikken. Je moet constant verrekte goed oppassen waar je je voeten neerzet. Één misstap is voldoende.

We zijn nu halverwege. Gelukkig liggen hier houten vlonders, anders had ik al lang een kletspoot gehad. Dit is een schitterend stukje hoogveen.

Dan komt het tweede zware stuk. Ook hier alleen maar ronde keien van een halve meter tot wel twee meter doorsnee. Het lijkt net of een reus boven heeft staan te knikkeren, en dat de hele zooi vast kwam te zitten in de nauwe kloof waar wij nu overheen moeten.


wandelpad


Langzamerhand komen we boven de boomgrens. Het klimmen is veranderd in stukken heel vals plat met hier en daar een steil stukje, slopend. De route buigt naar links, naar de rand. De vervelend schuine rotsplateaus maken plaats voor een smal pad langs de afgrond. Gelukkig hebben de Noren ook hier vlonders en kabels geplaatst. Je zit hier wel een dikke vijfhonderd meter hoog. Na elke barrière hoop je een glimp op te vangen waar je heen moet. Niets. Blijven klimmen is het devies. Het is wel prachtig, het lijkt of je door steeds weer nieuwe landschappen loopt.

Ineens scheert een helikopter rakelings over ons heen, en maakt vervolgens twee rondjes. Nou, dan kan het toch niet zo ver meer zijn. Wanneer het smalle pad langs de afgrond een bocht naar rechts maakt, kunnen we eindelijk ons einddoel zien, wow. Dit is hoog.


bijna boven (foto Internet)


Je kunt beneden in de Lysefjord een heel klein bootje zien varen, maar het is een heuse veerboot. Dit is hoog.

Helemaal boven aangekomen zien we alleen maar mensen. Geen hamburgers, geen hek, geen cola en geen bier. De Preikestolen lijkt het meest op een elfenbankje die aan de verticale rotswand zit geplakt, plat van boven en naar beneden iets inlopend. Behoedzaam lopen we naar de rand. Nu maar beter géén huzarensaladestukjes uithalen. Het laatste stukje kruipen we op de buik naar de rand van de meedogenloze afgrond. Meer dan 600 meter! Merde, dit is hoog.


hoog


Op 1 ½ meter van de rand durven we op één been te balanceren. Voor de foto! Sommige mensen zitten nonchalant op de rand, met de benen buiten boord, uhh, wij maar niet.


héél hoog


Met de voetjes, nét over het randje is meer dan genoeg. Het valt me op dat ik hier niet zo dat zuigende gevoel heb als bij de Geiranger, ik weet niet hoe dat kan.

Zo. Klaar, done it and seen it. We zijn nu een half uurtje op het klif en vinden het wel welletjes, ik begin het ook een beetje frisjes te krijgen. Logisch ook als je alleen maar een T-shirt aan hebt, grote knurft.

De tocht naar beneden is veel leuker dan omhoog. Eerst is het nog voorzichtig je voetjes neerzetten. Wat later stuiter je als een rubber balletje van rotsblok naar rotsblok. Als je eenmaal het vertrouwen hebt, kom je in een soort cadans. Door de snelheid raken je voeten maar heel licht het topje van de rotsblokken. ‘Gecontroleerd vallen’, noemt Pieter het. Ik voel me net een jonge berghinde, lichtvoetig over de rotsen vliegend. Tijdens de afdaling halen we zeker wel tien groepen in. Supertof werk, wel levensgevaarlijk, maar toch tof. Zo nu en dan nog een paar keer het probleem met mooie vrouwen, oeps. Ik moet me gewoon alleen maar concentreren op de afdaling, en beslist niet op het schone vrouwvolk. Wij mannen kunnen gewoon géén twee dingen tegelijk.

Na een uurtje zijn we weer beneden. Een paar regendruppeltjes vallen op mijn ruim bemeten kruin. Stel je voor dat we nu nog halverwege de afdaling zitten, dat zou een glibberpartij zijn. Gelukkig zijn wij alweer onder.

In het hotel annex restaurant kopen we elk een prachtig groen T-shirt met een ruw getekende omtrek van de Preikestolen erop.

We lopen weer terug naar de motoren. Alles zit er nog op en aan. Tijdens het ‘klimmetje’ van het restaurant naar de parkeerplek, voel ik m’n spiertjes flink tegengas geven. Jaaa, daar wordt je moe van, hè. We kleden ons weer aan voor een natte rit. Op een paar kilometer ligt de Preikestolencamping. Hier gaan we eten, lekker. We worden vriendelijk bediend door Limburgse stagiaires. Beide nemen we een gigantisch brood(je) hamburger met patat en melk. Er zijn drie stagiaires: een achter de balie, een die wat doet, en een die buiten bezig is met grasjes uit de oprit trekken. Buiten op het terras wordt ons een stel fantastische burgers voorgeschoteld, met sla, dus gezond.

Een roodharige vrouw zegt ons vriendelijk goedemiddag, en stapt de receptie binnen. “Kom, schiet op, niet zitten, ga aan je werk” zegt ze tegen een van de stagiaires. In een mum van tijd is het humeur van de roodharige dame 180° gedraaid, ze is furieus, haast ontploft ze. “Je hebt jezelf ook al duizend kronen korting gegeven. Hoe durf je. De buurman zei al: “wie is die blonde del die de hele tijd staat te roken””. “Nou mevrouw, ik ben geen del hoor” zegt het meisje terug. De uitbarsting nadert het kookpunt. Het meisje huilt. Ze geeft totaal geen tegengas. De rode vrouw foetert en foetert. “Sodemieter op, godverdomme, ik wil je niet meer zien. Ik praat hier morgen met mijn man over, dan zullen we wel zien of je morgenavond je koffers al kunt pakken. Ik ben helemaal klaar met je”. Het meisje rent, hard huilend weg. Wij gaan ook maar weg. Ik weet niet wat ik ervan denken moet. Wij kennen de situatie helemaal niet dus het is moeilijk om een oordeel te vellen. Ik weet dat sommige stagiaires erg vervelend kunnen zijn, maar het zijn wel nog jongeren in een leerperiode. De reactie van de vrouw vind ik ronduit onbeschaamd. Hoe durf je zo, en plein public, iemand vollédig onderuit te halen. Een ding weet ik wel en dat is dat ik nooit één cent meer zal besteden aan deze vrouw. De hamburgers zijn prima, maar deze dame is volledig doorgedraaid.

We besluiten nog een uurtje te rijden en dan een hytter te gaan zoeken. Eerst de Spar, onze redder in nood. We slaan ontbijt, worst en bier in, nu nog een paar slaapplaatsen vinden. Bijna alle hutjes zitten vol. De regen komt onderhand met bakken uit de lucht en het wordt waterkoud. Ik wil een hutje, nu. Met een hete douche.

We stoppen bij een boerderij. Een vrouw komt naar buiten, kijkt naar onze nummerborden en zegt: “we hebben helaas geen hutjes meer, maar mijn schoonmoeder, boven op de heuvel, heeft vast nog wel ruimte. Een ogenblikje, ik zal haar even bellen”. Even later komt ze weer terug. We krijgen voor €35,- per persoon de hele onderverdieping. Doen! De lucht wordt langzaam zwart, we kunnen nu helemaal geen tent meer opzetten, en dat willen we ook niet.


laatste nacht in Noorwegen


Hier zitten we nu, warm en droog. Twee slaapkamers, een keuken, douche en woonkamer met hal. Een compleet appartement, tof. Onder het genot van bier en worst zitten we in de living. In luxe ruime fauteuils aan een eikenhouten salontafeltje. De kleddernatte motorkleding hangt in de hal te druppen. Onder het schrijven zit ik naar Pink Floyd te luisteren, The Wall.

Nog een lolpeukje en dan slapen. Pieter krijgt, omdat hij vroeger altijd al de mooiste kamer mocht hebben, nu een koud, bleekblauw slaapkamertje. Ikzelf verkies de rode suite met riant uitzicht over de adembenemende fluviatiele omgeving. Morgen verlaten we dit schitterende land, ach en wee.

Truste


Wo 4 juli 2007

Gisteravond heb ik de kledingtas maar eens opnieuw ingedeeld, nu heb ik haast ruimte te over.


fruitontbijt, een heuse banaan


Tegen half twaalf zit alles weer netjes op de motor, wij ook. Vandaag rijden we het laatste stukje naar Kristiansand, nog zo’n 150 kilometer Noorwegen te gaan. Je merkt duidelijk dat het zuiden van Noorwegen een stuk meer bevolkt is dan de rest waar we doorheen zijn gekomen. Het is hier haast onaangenaam druk. Tjonge, wat rijden die Noren toch gedisciplineerd. Precies de toegestane snelheid wordt aangehouden, en dat met zulke heerlijke bochten. Het asfalt is grof en scherp, maar met een heerlijke vette grip.

Mijn tweede achterband begint, mede door het heerlijke bochtenwerk, ook al een flinke slijtage te vertonen. Dit zal waarschijnlijk wel komen doordat het eigenlijk een voorband is. Pieters banden zijn nog steeds redelijk, hij heeft al een dikke 7000 kilometer op hetzelfde setje gereden. Onze rijstijl is nagenoeg hetzelfde, dus dit is de ultieme vergelijkingstest. Kennelijk hebben de Bridgestones een veel langere levensduur dan mijn Metzelers. Ach, het is niet anders.

Bij vele spannende bochten staan netjes waarschuwingsborden, maar niet bij allemaal, lekker consequent. Op de borden kunnen we dus niet vertrouwen. Het blijft oppassen geblazen. Elke rijbaan is als het ware in drieën verdeeld. Het zware vrachtverkeer heeft diepe sporen achtergelaten in het asfalt. Maar tussen de beide sporen in zitten vaak diepe krassen van de sneeuwschuivers. Het lijkt net of de weg gefreesd is. Als je hier met de motor overheen rijdt, dwarrelt het hele zaakje heen en weer. In het begin was dit vervelend, maar nu ik er aan gewend ben, voelt het eigenlijk wel lekker, dat gewiebel. ‘Go with the flow’, zou Ronald Reagan wel eens gezegd kunnen hebben.

We proberen het uiterste zuidpuntje van Noorwegen te vinden, maar dat vindt Annie niet. Een irritant ding, bij tijd en wijle. We rijden maar door naar de haven.

In Kristiansand vinden we gelukkig zonder problemen de haven. Het is er opvallend rustig, geen goed teken. Van de kassameneer krijgen we te horen dat er nog maar één motorplaats is. Dit geldt voor de ‘snelboot’ van vijf uur. Om elf uur ’s avonds gaat de gewone veerboot, maar die doet er veel langer over. Wij willen graag op de snelle. De man zet ons op de wachtlijst. We mogen in rij twaalf gaan staan, de wachtrij. Brutaal als we zijn rijden we een rijtje auto’s en campers voorbij en gaan lekker vooraan staan. Dat doen we altijd, dus waarom nou niet. Nu maar wachten. Het is half drie en de boot vertrekt pas om vijf uur. In rij twee staan een paar Duitsers, die een klein rondje Noorwegen hebben gedaan. Tot aan Bergen en dan weer terug. ’s Nachts is een van de motoren, een glimmende metallic blauwe Honda Pan European met z’n zijstander door het asfalt gezakt. Zijn gigantische fiets donderde ondersteboven en bleef precies op z’n topkoffer en windscherm liggen. De kunststof ruit was helemaal dubbelgevouwen, zonder te knappen. Toch nog flink wat lakschade en het kleppendeksel kapot, sneu. Vloeibaar metaal (Wencon Plastic Steel) doet wonderen.

Pieter heeft niet zo veel zin in Duits, elke keer als Joachim oder Heinrich dichterbij komen, loopt hij weg. Ach, dit zijn gewoon gezellige mensen die ook in een rijtje staan te wachten, net als wij. Dus ik knoop regelmatig een gesprekje aan. Eigenlijk zijn onze oosterburen over het algemeen hele aardige mensen, er zitten natuurlijk altijd wel een paar eikels bij. Dat hou je altijd.

Waar ik, en Pieter ook denk ik, een gruwelijke hekel aanhebben is dat dogmatische perfectionisme. Als je iets niet volgens de regels doet, wordt je direct gecorrigeerd. En dat ‘sucks like hell’.

Boot komt er aan”. Een gestroomlijnd cruiseschip, de Sylvia Ana, vaart statig de haven binnen.


de Silvia Ana

Het uitladen van het schip duurt ongeveer een uur. Tegen half vijf komen de ‘inscheepjongens’ het parkeerterrein oplopen. Gedoseerd worden de auto’s naar de boot geleid. Ik ga een beetje opzichtig bij een van de jongens staan. “Ticket, please”, vraagt een jongen met wiebelvoet. “We, my brother and me, are on a kind of waiting list”, zeg ik. De jongen kijkt verwonderd op en vertelt ons dat er voor motoren helemaal geen wachtlijst bestaat. Mooi. Wij mogen zomaar in de lange file aansluiten en rijden de boot op.

Aan de achterzijde kom je binnen, je volgt gewoon de route en maakt een soort ommetje over het autodek. We rijden aan bakboord helemaal tot aan de boeg en dan langs stuurboord weer naar achter. Daar plakken we de fietsen netjes tegen de wand.


het autodek, dit ziet een vis dus op de barbeque


De spanbanden kunnen vernuftig in de bodem worden vastgemaakt, een mooi systeem en een mooie service. Alle wanden op dit dek zijn volledig bedekt met een dikke laag isolerende aluminiumfolie. Een beetje spacy, net zoals de rest van de boot. We lopen naar het zonnedek aan de achterzijde van het schip. Dit is de enige plaats waar je mag roken.. Een zware toet en we vertrekken. Langzaam maakt het schip zich los van de kade en we varen weg. Een zeilbootje heeft kennelijk nogal wat last van de hekgolf en stampt vervaarlijk op en neer. Eenmaal buitengaats begint het schip langzaam te versnellen tot de kruissnelheid van ongeveer 41 knopen, dat is meer dan 75 kilometer per uur.


de Silvia Anal

Helaas ben ik vergeten een reispilletje te slikken, de boot begint al aardig te schommelen. Ik ben benieuwd of ik het droog hou. Ik hou me voor dat het alleen maar psychisch is, en verwen mezelf met twee broodjes worst en een halve pizza. Als ik dan toch moet kotsen, heb ik tenminste enige voorraad.

Een beetje waggelend lopen we weer naar het achterdek. Wow, dit ding gaat echt heel snel. De waterjets spuwen een enorme bult water onder het schip vandaan.


Skagerrak, 75 km/u!


We lopen nog even naar de taxfree winkel. Doordat dit een Noors schip is, zijn de drankprijzen vergelijkbaar met Nederlandse winkels. Dit is dus taxfree, poeh. Ik koop nog een fles gin en een liter Baileys, heerlijk. Dit zijn tenminste literflessen. Rob, dáár kun je mee thuiskomen.

Na zo’n twee en een half uur lopen we de haven van Hirtshals binnen. “Paaaaltje”.

Nu is het eerst gewoon verveeld doorrijden. Denemarken is ronduit saai na het prachtige Noorwegen. Het lijkt net of we weer door Groningen rijden. Overwegend vlak met uitgestrekte akkerbouw, tot aan de horizon. Langs de snelweg zien we de twee Spaanse Honda-stellen staan, die we afgelopen zondag op een terrasje hebben gezien. Vragend steek ik mijn duim op. Zij steken ook hun duim op, alles ok. Prima, het gas gaat er weer op.

In Ǻrhus vinden we de ‘City Sleep Inn’, vlak bij de haven. Niet te duur, en dat kun je merken ook. Het doet haast een beetje Oost-Duits aan, klein en grauw. Ik denk dat dit vroeger de Ǻrhûsker-dåkløsen-øpvång was. Het “bath’ dat wij in onze kamer zouden moeten hebben is slechts een toilet met een sproeikop, schuin erboven. Waarschijnlijk moet je met je voeten in de pleepot gaan staan om een beetje het ‘badgevoel’ te krijgen, ieuw.

Het is nog vroeg genoeg om in de stad een pilsje te gaan drinken. Buiten is het stikdruk. Ǻrhus is het startpunt voor de ‘Tall Boat Race’. Een oceaanrace voor ouderwetse zeilschepen. De stad is een verademing, mooi met een heuse kroegenstraat. Langs een gracht zien we een heleboel leuke cafeetjes met gezellige terrassen. We lopen eerst even door de straat maar kiezen dan toch voor het eerste terrasje. Pieter gaat aan het bier en ik duik in het genot wat Guinness heet. Het is best moeilijk bier drinken, want constant valt mijn mond open van de idioot prachtige deernen die voorbijlopen. Dit is werkelijk niet normaal, de een is nóg mooier dan de andere, allemaal lang en slank. Vele lopen in uitdagende avondkleding en zijn volledig opgemaakt. Hugh Hefner, of zoiets, zou een kwijlspoor trekken van wel 17 meter. Zelfs de mannen zijn mooi, goed gebouwd, net fotomodellen.

Ruim voordat we verzadigd zijn springt de tl-verlichting aan. Merde, de laatste ronde. Ik bestel nog snel 32 Guinness en net zo veel pilsjes maar die krijg ik niet, dom jaaah. Netjes, met twee bieren, loop ik het terras op.

Op, we lopen zo’n beetje de meute achterna. In een zijstraatje vinden we de ‘Casino-Bar’, een haast Gronings café met rockmuziek uit de zeventiger jaren. Het lijkt wel de Café de Ster in de Peperstraat. We gaan aan een tafeltje zitten en bieren vrolijk verder. En dat bieren klapt erin. Ze hebben geen Guinness maar wel een ander bier wat haast zo smaakt, prima. Ja, daar kan ik ook wel tegen.

Twee Belgen komen lachend het kroegje binnen, een heeft een fototoestel in z’n hand. Ze lopen direct door naar de bar en praten wat met de barkeeper. Dan gaat de een op de bank staan met zijn gezicht voor een bierreclame. In het Deens heet bier: øl. Een heel raar woord. Met de meest gekke bekken spreken ze het woord øl uit, en dat komt dan weer op de foto. Elk bord waar het zotte woord opstaat wordt zo gefotografeerd. Rare jongens, die Belgen. De mannen hebben ontzettend veel lol, en straks een indrukwekkende fotoreportage over het idiote woord: øl.

Een paar lastige Denen komt bij ons aan het tafeltje zitten. Ze willen alleen maar bier van ons, sodemieter op. Piss off and get lost and something’ helpt prima. Stelletje opvreters, tssss.

Ik weet niet waarom, maar plots gaat deze kroeg ook sluiten. Buiten ontmoeten we een stel Deense studenten, toffe lui. We laten ons, aangeschoten en wel, door de stad voeren, op zoek naar een andere kroeg. Alles is echter gesloten. Voor een café gaan we op de stoeprand zitten en blijven nog een tijdje ouwehoeren en vooral lollen.

Het is half zes als we naar het ‘hotel’ terug zwalken. Morgen rijden we naar huis, eerst slaaaaaaap’n.

Grmmmmmlfffffff


Do 5 juli 2007

Het is veel te vroeg als we worden gewekt door twee warmdraaiende strontHarleys. ‘Loud pipes save lifes’, flikker op. Ik schreeuw door het raam naar beneden. Even later rijden de beide showbakken weg, verder slaaaaap’n.

We moeten voor half elf aan het ontbijt zitten. Óók veel te vroeg. Ik heb een flinke hoofdpijn, dit wordt een lekker dagje, urgh. Het ontbijt stelt bijzonder weinig voor, maar er is verse koffie en verse jus. Eigenlijk wel genoeg.

De motoren worden opgepakt voor de laatste rit, 600 kilometertjes en we zijn thuis, eitje. We raken even verstrikt in de smalle weggetjes van Ǻrhus maar uiteindelijk kunnen we verder.

De smalle haarspeldbochten van eerder zijn nu verruild voor brede vierbaanse wegen. Getver. De Denen vinden de linkerbaan veel leuker dan de rechter, want ze blijven heel erg lang links rijden, rare jongens die Denen.

Vlak voor Flensburg rijden we de Duitse grens over. Het wordt langzamerhand een heksenketel op de weg. Twintig kilometer voor Hamburg belanden we in een file, feest. Voorzichtig rijden we tussen de eindeloze rij auto’s door. Er zijn gelukkig geen gefrustreerde automobilisten die, nét voor je ineens een deur opengooien. Of die je plotseling uit pure frustratie de weg afsnijden. Het moet ook wel erg lullig zijn als je net achteraan in de file staat met je Porsche Carrera, of je spiksplinternieuwe sportMercedes en een paar ouwe BMWtjes ploepen er zo tussendoor.

In de Elbetunnel is het helemaal feest. Hier is haast geen ventilatie en de stilstaande auto’s veroorzaken een scherpe stinkende mist. We moeten hier heel snel uit, we gaan haast dood. Een gigantische BMW R1200GS durft door zijn immense aluminium zijkoffers niet tussen de auto’s door, weg met dat ding. Ik ga even een stukje achteruit en rij dwars door de rij naar een andere baan, gaaaaan. De file duurt maar voort, haast tot voorbij Hamburg. Ik denk dat deze file meer dan dertig kilometer lang is, wat een ellende.


kek inleghöschen


Na Hamburg kunnen we weer tempo maken. Thuis trekt. Het is nog steeds flink druk op de snelweg. De Mercedessen en Audi’s knallen ons voorbij. Je moet hier verdomd goed oppassen. Onze motoren lijken haast te verzuipen tussen al het voorbijrazende blik.

Pieter rijdt voorop op de rechterbaan, ik rij schuin achter hem. Rechts naast me rijdt een grote militaire truck met oplegger. Hij raast met een noodgang op Pieter af, ik schreeuw, toeter en knipper verwoed met mijn groot licht. Ik zie de chauffeur weer vooruit kijken; hij schrikt zich de pleuris. De legergroene combinatie duikt vol in de remmen. Dat scheelde maar een haartje. Hard vloekend en wild gebarend knal ik de vrachtauto voorbij. De chauffeur zat gewoon lekker te kletsen met z’n bijrijder, stomme Duitse rotlul. Bijna mijn broer naar de kloten rijden omdat je je werk niet doet, eikel. Ik ben werkelijk pisheet. De soldaat kijkt me schaapachtig aan, verder geen reactie, eikel. Rij je bijna 8000 kilometer, zonder iets, wordt je in Duitsland tot moes gejaagd door een paar onoplettende kutsoldaten. Idioot. Pieter heeft van het hele gebeuren niets meegekregen. Gelukkig is het goed afgelopen.

Zonder problemen tuffen we verder door naar de Nederlandse grens. Net over de grens, bij Nieuweschans bel ik naar huis dat we er zo aankomen. Nina zal met Niels en Henk naar de Berkenlaan gaan. Wanneer we weer opstappen breekt mijn koppelingskabel, kut. Op de een of andere manier heeft mijn fiets een gloeiende hekel aan Nederland. Ik heb wel een reservekabel bij me, maar daar heb ik nu geen zin in. Wij willen naar huis.

Ik zet de motor in de één en start, hortend en stotend rij ik weg. Voorzichtig lukt het me om zonder lawaai op te schakelen naar de vier. Gelukkig hebben we bijna alle stoplichten mee, en na een dik half uur komen we luid toeterend bij de Berkenlaan aan. Heerlijk, thuis.


klaar


Henk is het eerste bij me. Wild springt hij om me heen, gekke hond. We worden superheerlijk binnengehaald, tof. Ik knuffel mijn knuffels haast tot pulp. Mijn hemel, ik heb jullie toch wel vreselijk gemist, merk ik nu.

We blijven nog een paar uurtjes bij Hillary zitten vertellen. De souvenirs worden uitgepakt.

Ik ben moe. Ik wil eigenlijk wel écht naar huis. Dit wordt de eerste nacht zonder Pieter. Vier weken lang mijn vriend, steun en toeverlaat. Vier weken genieten, lol, plezier, ouwehoeren, praten, lachen, zingen, joelen, rijden, drinken, roken. Vier weken van de wereld. Ik ben apetrots op ons thuisfront, dat ons heeft gestimuleerd om deze reis te kunnen maken, de schatten. Dank je heel erg veel wel, laiverds.

 

En dan…..: de slopende desillusie. Ik moet lopend naar huis. We kunnen de motor nog niet kwijt. Door de verbouwing voor onze Jos, ligt de hele tuin overhoop. Ik kan zelfs niet met de fiets op het pad komen, sterker nog: er is zelfs geen pad meer. Achtduizend kilometer in, krap aan vier weken gestuurd en dan ineens de laatste 800 meter lopen, merde. Maar wel lekker met z’n drietjes en Henk.

Nog even een borrel en dan slapen. In mijn eigen, net verschoonde heerlijke bedje. Met gemotoriseerde bodemverstelling en langsgespannen spiraalmatras.

Én met Nina, mijn allerliefste schat.



SLAAP ZACHT.




weer veilig thuis

 

terug naar de reisverhalen <

terug naar de startpagina <