Een van de bekendere dieren die ook in Noorwegen leven is de eland of het rendier. Dit dier komt het meeste voor in het noorden van Noorwegen. Er leven nog veel elanden in het wild. De Lappen hebben echter ook veel elanden getemd. Deze elanden worden vaak als vee gebruikt.

De eland heeft een bijzonder goed reukvermogen. Het is vrijwel onmogelijk om een Eland te benaderen wanneer de wind “verkeerd” staat. De eland (Alces) is het grootste nog levende soort hert: hij wordt minstens zo groot als een paard. Het is de enige nog levende soort uit het geslacht Alces.

De eland is een zeer groot dier met een behoorlijk grote snuit. De vacht is ruw en grijs tot bruin van kleur. De rui valt in de lente. De poten zijn grijs tot wit. Bij vrouwtjes loopt deze kleur over tot bij de staart. Het volwassen mannetje (stier) heeft een baard en een gewei.

Elandstieren hebben over het meestal een breed gewei met korte uitsteeksels, maar er zijn ook individuen met een takvormig stanggewei. Het voorkomen van beide typen is geografisch bepaald: zo hebben stieren in Zuid-Scandinavië vaker een stanggewei en in Noord-Scandinavië vaker een schoffelgewei. Met name grote schoffelgeweien zijn geliefde jachttrofeeën. Het gewei wordt ieder jaar tussen december en maart afgeworpen. In april zal hij weer aangroeien, en in augustus of september wordt de basthuid afgeschuurd.

De eland heeft een kop-romplengte van 200 tot 290 centimeter. Het vrouwtje is ongeveer 25% kleiner dan het mannetje. Het mannetje heeft een schofthoogte van 180 tot 220 centimeter en een lichaamsgewicht van 320 tot 800 kilogram, het vrouwtje een schoft van 150 tot 170 centimeter en een gewicht van 275 tot 375 kilogram. De staart is vrij klein, en wordt slechts 7 tot 10 centimeter lang.

De eland leeft voornamelijk van scheuten en twijgen van bomen als de grove den. Ook eet hij de schors van bomen als wilg en ratelpopulier. ‘s Zomers bestaat het dieet grotendeels uit grotere kruiden, bladeren en waterplanten, in de herfst eet hij vaker granen. ‘s Winters eet een eland gemiddeld zo’n tien kilogram aan twijgen en scheuten.

De eland komt voornamelijk voor in bosachtige streken en aangrenzende open gebieden als bergweiden en grasvelden. Landbouwgebieden worden graag opgezocht om er zich te voeden met knollen en granen. De eland heeft een voorkeur voor meer drassige streken als riviervalleien en meren. De eland is een goede zwemmer en is regelmatig in het water te vinden. Hij zal in het water gaan om daar voedsel te vinden. Voor moeilijker bereikbaar voedsel zal hij zelfs duiken. ‘s Winters komt hij in droger gebied voor.

Het verspreidingsgebied van de eland bestaat uit Noord-Amerika, en het noordelijke deel van Europa en Azië. In Europa is hij te vinden in Scandinavië, Polen, de Baltische Staten, Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland. Hij kan in bepaalde delen een gevaar vormen voor het verkeer. In bosrijke gebieden in bijvoorbeeld Scandinavië zijn om die reden waarschuwingsborden geplaatst.

De eland leeft over het algemeen solitair. ‘s Winters kunnen ze zich echter verzamelen in kleine gemengde kudden. Een volwassen vrouwtje is in deze groepen de leider. Meeste elanden zullen niet wegtrekken, maar in Rusland kan het dier wel 150 kilometer reizen van de zomer- naar de wintergebieden. In de bronsttijd trekt een mannetje enkele dagen met een vrouwtje op.

De kalveren worden geboren na een draagtijd van 235 dagen. Jonge vrouwtjes krijgen meestal slechts één kalf, oudere vrouwtjes krijgen vaker tweelingen. Ook drielingen komen voor. Elandvrouwtjes kunnen nog drachtig zijn als ze twintig jaar oud zijn. Het kalf heeft een roodbruine vacht. Na twee tot drie dagen kan het jong zijn moeder volgen.
Het kalf weegt bij de geboorte zo’n 11 tot 16 kilogram. Binnen een maand verdubbelt hij zijn lichaamsgewicht. Daarna groeit hij één kilogram per dag. Aan het einde van de eerste herfst zal bij het mannetje het eerste gewei gaan groeien.

Het kalf blijft bij zijn moeder tot tien of vijftien dagen voordat het moeder het volgende kalf zal werpen. Dan zal het moeder haar jong wegjagen. De eland wordt over het algemeen in het tweede jaar geslachtsrijp. Hij kan maximaal 27 jaar oud worden.

Vroeger kwam de eland ook in Nederland voor. Volgens een Drents jachtvergunning zou de eland nog tot in 1025 in Nederland rondgelopen hebben.

De eland is een grote grazer die gebruikt kan worden voor de begrazing maar die in gebieden als de Oostvaardersplassen ontbreekt. De eland wordt waarschijnlijk om twee redenen niet geïntroduceerd:
Ervaring leert dat een eland moeilijk omheind gehouden kan worden.
Het beoogde areaal is waarschijnlijk te klein voor een (ook genetisch) levensvatbare populatie.

Vroeger werd er overigens net als op een paard op de eland gereden. De eland had een beter uithoudingsvermogen en het paard was voorbehouden aan de adel. Daarom werd het berijden van een eland strafbaar.

Het is in Noorwegen overigens mogelijk om een zogenoemde elandsafari mee te maken. Uiteraard is op die manier de kans het grootst om elanden in de natuur te kunnen bewonderen. Informeer hiervoor bij uw plaatselijke contactpersoon (verhuurder) of bij uw reisorganisatie.

Maar je kunt ze ook zien wanneer je er zelf op uit gaat. Meestal kom je ze tegen in bosrijke/heuvelachtige gebieden.

En niet perse in verlaten gebieden. Juist in de buurt van gehuchten/dorpjes worden ze gespot. Wellicht omdat ze daar vaak voedsel vinden.

Wees wel enigszins op je hoede wanneer je er een tegenkomt. Elanden kunnen vrij agressief op mensen reageren. Laat m dus niet schrikken en blijf dus op een veilige afstand.

Het zijn vluchtdieren dus wanneer de afstand groot genoeg is zal de eland zich veilig voelen omdat er dan nog veel mogelijkheid tot vluchten is.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.